
versie 31
dec.’10
WOORD
VOORAF
lieve
lezer(-es),
Een humanosoof is een humanist/filosoof die het menszijn beziet vanuit de ontstaans-geschiedenis van onze soort. Omdat noch het humanisme, noch de filosofie, een verhaal in de aanbieding heeft over hoe mensen van apen tot mensen geworden zijn en dat niet eens beoogt, en een humanosoof dat wél beoogt en aanbiedt, noem ik mij humanosoof.
Nu moet ik bekennen dat ik de enige humanosoof ter wereld ben. Dan ben je wel makkelijk te vinden op het internet, het is ook wel een beetje zielig. Maar op een zwak pitje gloeit mijn hoop dat u, na kennisneming van wat ik u hier ga bieden, uzelf ook als humanosoof zult zien.
Een humanosoof beschouwt de menselijke natuur als gevormd in de menselijke prehistorie, in de VJ-fase (zie onder). In die lange-lange fase leefden onze voorouders in kleine, uiterst vreedzame groepjes met vrouwelijke dominantie. Van nature goed. Edele wilden.
In de AGR-fase (zie ook onder), en vooral in de historische tijden, is die natuur geweld aangedaan en gefrustreerd. Maar het verlangen naar het goede komt als een ondergeduwde kurk steeds weer bovendrijven waar het de kans krijgt.
Kennis van de menselijke prehistorie, dat is waar het in de humanosofie om draait. Daar komt vooral kennisname van wat de menswetenschappen aandragen aan te pas: kennis waarin filosofische opleidingen zwaar tekortschieten en waaraan ook op de universiteit voor humanistiek geen aandacht wordt besteed.
Zeker wat mijzelf betreft komt er ook eigen-wijsheid aan te pas: bij het opvullen van de weinige ‘witte plekken’ die ons menselijke kaart nog vertoont.
Eigengereidheid ook wel, voornamelijk tot uiting komend in mijn afkortingen. Ik leg ze in de tekst telkens uit, maar ik presenteer hier alvast een naslaglijstje.
VJ’s : verzamelaars/jagers (het stadium van 2 mjg tot 10.000 jg)
AGR’s : boeren (het stadium van 10.000 jg tot nu)
jg : jaar geleden
mjg : miljoen jaar geleden
vC : vóór het begin van onze jaartelling
AD : ná het begin van onze jaartelling
paleo : wetenschapper inzake onze ontstaansgeschiedenis: archeoloog, paleoantropoloog, antropoloog, etholoog, taxonoom, geoloog, noem maar op
vobo’s : voorouder-bonobo’s (voorouder-hominiden, voorouder-australopitheken)
AP’s : (australopitheken)
HERG’s : H. ergaster-mensen
HE’s : H. erectus-mensen
HEID’s : H. heidelbergensis-mensen
NT’s : H. neandertalensis-mensen
MSA’s : Afrikaanse NT’s (Middle Stone Age-mensen)
AMM’s : Anatomisch Moderne Mensen (H. sapiens-mensen)
EWG : Enig Ware God
mbt, oa, jg, ea : (puntjes voegen toch niets toe aan de leesbaarheid? Vooruit dan, bij o.m. wel)
INHOUD
4 Inleiding
8 literatuurlijst
11 ons verhaal
11 het
begin
13 vellen
14 voap’s:
hypersociale dieren
17 we
werden talige wezens
18 gebarenwoorden
20 niet
begonnen met praten!
21 symbolentaal
27 namen
voor de dingen, en die in een woordenschat
30 de
cheremen-doorbraak
33 het
ontstaan van ons talige bewustzijn
34 het
vuur
37 de
grote sprong voorwaart als gevolg van de vuurbeheersing
40 talig
bewustzijn
42 een
overstap met dramatische gevolgen
47 het
scheppingsverhaal
48 het
bastion van heiligverklaring
50 conclusie
“Over het bewustzijn
tasten we nog steeds in het duister. Op dit moment is het bewustzijn een nogal
geïsoleerd onderwerp, waarover zelfs de scherpste denkers maar liever zwijgen.
Net als bij al die eerdere raadsels zijn er veel mensen die beweren - en hopen
- dat het bewustzijn nooit zal worden gedemystificeerd. “ ( Daniel C. Dennett) [1]
Geen frustrerender
onderwerp dan het bewustzijn... We kennen het bewustzijn allemaal, we zijn
bewustzijn. Maar leg maar eens uit wat het is. (Bart Voorzanger)[2]
Wat is er nu zo
‘talig’ aan bewustzijn? (Wim van de Grind)[3]
inleiding
Ons
menselijk bewustzijn is in de natuur ontstaan en die doet niet aan ingewikkelde
dingen. De evolutie werkt met oude spullen, ruimt die pas op als ze in de weg
zitten en ontwikkelt iets nieuws waar het van overlevingswaarde is voor een
soort.
De
continenten blijven niet op hun plek liggen. Ze hebben niet eens een plek, ze
drijven. Door magmaconvecties in het binnenste van Aarde worden ze
bijeengedreven of juist uit elkaar. Door die verplaatsingen krijg je nieuwe
golfstromen. Door opduwingen tot gebergten van wat eerst kustgebieden waren of
andersom krijg je andere luchtstromingen, dus andere verdeling van de
zonnewarmte. Eenzelfde wispelturigheid en invloed hebben de stand van de aardas
en de baan van Aarde om Zon. Het kan allemaal behoorlijke veranderingen teweeg
brengen in het klimaat, en dan is het uitsterven geblazen voor soorten die op
een bepaald klimaat zijn afgestemd. Randpopulaties van een soort kunnen al
eerder met de omslag te maken gekregen en aanpassingen ontwikkeld hebben. Die
groeien uit tot nieuwe hoofdpopulaties maar wel van een nieuwe soort.
Ons
bewustzijn moet ook zo’n aanpassing zijn aan veranderde omstandigheden.
Vergelijkbaar met het vliegvermogen van vogels of de sonar van de vleermuizen.
Voor het ontstaan van dat vliegvermogen ga je toch niet zoeken in het
vogelbrein en het vleermuizenbrein ga je toch niet afspeuren naar sonar? Nee,
je loopt de evolutionaire ontwikkelingsgang van die soorten na, en je zoekt
vergelijkbare soorten in vergelijkbare omstandigheden. Tenminste, dat is wat
een humanosoof geneigd is te doen. Een humanosoof is iemand die
menselijke fenomenen terugvoert op de ontstaansgeschiedenis van onze soort en
die beschikt over een coherent verhaal daarvan[4].
Tien miljoen jaar geleden waren onze voorouders nog mensapen, nu zijn we
mensen. Die weg gaan we nalopen.
Waarom
doen geleerden als de hierboven geciteerde Dennet dat niet en blijft deze,
terwijl hij nota bene zelf zegt dat het hopeloos is, ons brein aftasten?
Ik
heb daar twee verklaringen voor.
De
eerste is de verkeerde ‘bril’: het denken vanuit een verouderd paradigma.
Paradigma’s
zijn, zo legde Klukhuhn het uit in Sterf, oude wereld :
vooronderstellingen, wetten, methoden, schoolvoorbeelden, die niet meer ter
discussie staan. Ze worden tijdens de opleiding aangeleerd en vormen het
‘denkraam’ waarbinnen wetenschappelijke problemen worden bezien. Dat geldt met
name voor onze filosofen; hun opleiding voorziet uitsluitend in kennisname van
het denken over de wereld en de mens van de oude Griekse filosofen, van die van
de Verlichting en van de Duitse metafysici. Maar die oude filosofen hadden nog
geen wetenschappen tot hun beschikking, hun denken was voornamelijk
‘natte-vinger-werk’. Van de opbloei van de menswetenschappen na de zestiger
jaren hebben onze filosofen in hun opleiding niets meegekregen; dus berust hun
denken over wereld en mens op ‘oude koek’. Het schadelijke van deze toestand is
dat de wetenschappers zich in hun denken richten op de heersende filosofie.
Zo
is voor de meeste wetenschappers de vanzelfsprekendheid van het onoverbrugbaar
zijn van de kloof tussen ‘de mens’ enerzijds en alle overige vormen van leven
anderzijds de vrucht van het filosofische paradigma. De denkers uit de
klassieke oudheid schetsten die kloof, latere geleerden als Thomas Hobbes zagen
het niet anders, zo hebben onze wetenschappers het altijd leren zien in hun
opleidingen en met die bril op staan ze in hun onderzoeksgebieden.
Maar
er begint zich een (overbrugbare) kloof af te tekenen tussen filosofen,
linguïsten en cultureel antropologen enerzijds en veldantropologen, ethologen
en neurologen en ontwikkelingspsychologen anderzijds. Het woord ‘veld’ is hier veelbetekenend. Onderzoekers die
daar met beide benen in staan of gestaan hebben, bezien de dingen anders. En
die beginnen nu steeds luider hun boekengeleerde collega’s te verzoeken die
oude bril af te zetten en gevolg te geven aan een niet minder klassieke
aansporing: KEN UZELF. Om te weten hoe ‘de mens’ is moet je nu eenmaal weten
hoe hij van ‘de aap’ tot mens geworden is. Dus moet je ons pad vanaf tien
miljoen jaar geleden tot nu nalopen. Kom je UZELF vanzelf tegen.
Eeuwen
geleden kon dat nog niet, dat pad aflopen. De klassieke denkers moesten er maar
een slag naar slaan hoe mensen van apen mensen geworden zijn. Wat? Het besef
dat we als apen begonnen zijn en dat we er nog heel wat eigenaardigheden van in
ons meedragen, is tamelijk nieuw. Tot ruim een eeuw geleden heeft zelfs in de
wetenschappen als vaststaand gegolden dat we kant en klaar door een Hoger Wezen
op de aarde getoverd waren. Hoewel onze westerse wereld al wel grotendeels
‘onttoverd’ was, bleef wat de mens’ betreft het woord van de bijbel nog als wet
gelden en Darwin is nog heel lang verketterd met zijn afwijkende visie. Tot op
de dag van vandaag is de kloof tussen ‘de mens’ en zijn mededieren voor veel
wetenschappers nog steeds onoverbrugbaar. Met name voor filosofen, cultureel
antropologen en linguïsten. Omdat ze dus nog steeds voortbouwen op de inzichten
der klassieke wijsgerigheid en geen kennis genomen hebben van de groeiende
inzichten uit de antropologische disciplines. Die kloof is een onnodige én
onvruchtbare barrière.
Mijn
tweede verklaring is het niet helder zijn van wat onder het woord ‘bewustzijn’
verstaan kan en moet worden.
Het
woord ‘bewustzijn’ komt uit de gereedschapskist van de Zijnsfilosofen, zoals Fichte, Schelling en vooral Hegel.
Het woord ‘bewust’ is volgens het etymologisch wb uit het Hoogduits afkomstig.
In elk geval is het denken over ons bewustzijn zeker tot in de jaren ‘70 van de
20ste eeuw aan de filosofen overgelaten.
Sinds
de wetenschap kwam te beschikken over krachtige nieuwe technieken zijn ook de
neurobiologen zich met ons brein en vervolgens ook met ons bewustzijn bezig
gaan houden, zoals ook mijn aanvangscitaat laat zien. Het betere werk
vergeleken met het ‘natte vinger’-werk van de filosofen. Maar met als nadeel
dat die link met ons brein de wetenschappers ook weer gevangen houdt. Die houdt
hen af van het zoeken waar de oorsprong van ons talige bewustzijn echt te
vinden is: op het pad van mensaap naar mens. Ook de meeste paleoantropologen
zijn in de val van het brein gelopen en meten de mate van hogere menselijkheid
bij hun fossiele vondsten af aan de cc-inhoud van de schedels. Zodat een
befaamd paleoantropoloog als Alan
Walker, in zijn boek Wisdom of the Bones (1996), naar aanleiding van een
pas gevonden Homo erectusskelet, mijmert: “In zijn ogen zie ik niet de
afwachtende blik van een vreemdeling, maar de dodelijke onwetendheid in de
starende ogen van een leeuw.” Walker heeft dus nimmer oog in oog met een
chimpansee of gorilla gestaan – vermoedelijk wel met een leeuw!
Sommigen
gaan zelfs zover dat ze die groei naar hogere menselijkheid toeschrijven aan de
aanwas van de hersenmassa. Terwijl het toch duidelijk moge zijn dat er eerst
het gedrag ontstaat en dan pas het aan dat gedrag aangepaste brein.
Laten
we eerst inventariseren wat we allemaal onder ‘bewustzijn’ kunnen verstaan.
In
medische zin betekent het: besef van jezelf en je omgeving. Je kunt buiten
bewustzijn raken en weer bij (bewustzijn) komen. Maar dat kunnen dieren ook,
buiten westen raken of gemaakt worden, en weer ‘bij’ komen. Eigenlijk zou het
handiger zijn als we voor dát bewustzijn (‘westen’) het woord “attentieniveau”
zouden kunnen vaststellen.
Daar
heeft Dennet het natuurlijk niet over, hij bedoelt het ik-gevoel. Zelfbewustzijn. Het besef dat jij jij bent en niemand anders.
Maar
dat hebben hogere dieren ook al. Dat hadden we dus al toen we nog een soort
chimpansees waren. Chimpansees in gevangenschap leren al doende de spiegel te
gebruiken om hun (fraaie) gebit te inspecteren of zo en voelen zich diep
beledigd wanneer een ander hen in de maling genomen heeft. (Zelf-)bewustzijn is
in primatenleefgroepen bijzonder belangrijk. Dat heb je nodig om je in de
gedachtegang en de gevoelens van de ander te kunnen verplaatsen, om diens
reactie en gedrag te kunnen voorzien. Dus om je eigen kansen op eten, het
vermijden van vijanden en je eigen voortplanting zo groot mogelijk te maken.
Het
begrip ‘bewustzijn’ is ook nog gekaapt door de New Age-auteurs en andere
aanbieders van ‘bewustzijn’; waarmee dezen vooral ‘hoger (of ‘dieper’ of
‘meta-’) bewustzijn’ bedoelen. Maar aan ‘hoger bewustzijn’ komt alleen geloof,
geen wetenschap, te pas. New Age-auteurs hebben daar zelfs een afkeer van.
Denken
konden we ook al toen we nog gewone dieren waren. Denken is het binnen je
hersennetwerkjes afspelen van mogelijke scenario’s om daaruit op je gevoel af
de beste keuze te maken. Daar laten de chimpansees al supermenselijke staaltjes
van zien, maar ook gewone apen zoals kapucijnapen leggen, blijkens het recent
gepubliceerde experiment van Frans de Waal (sept.’03) gevoel voor eerlijkheid
in de omgang aan de dag. Alle hogere dieren, hoger dan bijvoorbeeld een
zeester, denken en lijken echt niet op bijvoorbeeld een grasmaaiende robot. Hét
voorbeeld van het dierlijke denken is voor mij het volgende verhaal.
Een onderzoeker volgt met zijn kijker drie leeuwinnen die op jacht zijn. Ze duiken plotseling neer: ze hebben in de verte een troep grazende impala’s gezien. De wind komt naar ze toe dus de impala’s hebben nog niets van hen bespeurd. Terwijl de twee andere blijven liggen sluipt één leeuwin behoedzaam om de troep heen en jaagt de impala’s op: in de richting van de andere leeuwinnen. De onderzoeker ziet de tactiek beloond worden.
Zelfs mijn kipjes maken zich gedachten als
ze mij ’s morgens naar mijn busje zien lopen. Stapt die tweebenige die hun
graankorrels strooit meteen in en rijdt weg? Dan blijven ze waar ze zijn:
scharrelend op de composthoop van de buren. Of loopt hij door naar zijn atelier
waar de blikken bus met de graankorrels staat? Dan zijn ze er als de kippen
bij! Bepaald geen robots.
Ons menselijke bewustzijn moeten we zoeken in de culturele evolutie die ons zulke speciale dieren heeft laten worden dat we er kippen op na houden – om eens wat te noemen. Wij doen een heleboel dingen die een normaal dier niet doet. Op twee benen lopen, vuur gebruiken, met symbolen communiceren. Allemaal heel uniek voor zoogdieren die begonnen zijn als een onaanzienlijk en bang troepje mensapen dat gedwongen werd op de savannen voedsel te zoeken dat zijn bossen niet langer boden. Hoe, waarom, waardoor heeft dat hen toen, acht miljoen jaar geleden, zo’n afwijkend pad in doen slaan?
Dat
pad gaan we nu nalopen en dan komen we ons rare bewustzijn vanzelf tegen.
Dat
zullen we voortaan niet meer aanduiden als ‘bewustzijn’, omdat we dat we dat
delen met alle hogere groepsdieren. We zullen dan nog uitsluitend spreken over talig
bewustzijn want daarin zijn wij als
soort uniek.
Vandaag
kan dat nalopen dus wel. Op duizenden plekken op de aarde zijn wetenschappers
aan het onderzoeken. In laboratoria en aan universiteiten, in oerwouden maar
ook in dierentuinen, waar de ze gedragingen en het denken van apen
bestuderen; en in afgelegen gebieden
waar ze mensenpopulaties die nog op een vroegere manier leven, bestuderen. Ze
wisselen hun bevindingen uit in boeken en tijdschriften, veelal in het Engels
als wetenschappelijke taal, en via internet. En omdat ik door levenslange
interesse, goede opleiding en met meer vrije tijd dan iemand met een ander
beroep, er de gelegenheid toe heb, kan ik nu dit verhaal te berde brengen over
waarom en hoe onze vroegste voorouders namen voor de dingen zijn gaan
ontwikkelen. Kan ik begrijpelijk maken dat er daardoor afstand ontstond tussen
hen en de dingen, dat ze erdoor hun wereld zijn gaan begrijpen, en dat
dit (een gevoel van) macht geeft over de dingen.
Daardoor,
en alleen daardoor, zijn ze, begonnen als een uiterst onaanzienlijk en bang
ondersoortje chimpansee-achtigen, niet beschikkend over horens of scherpe
hoeven of slagtanden en klauwen of over grote snelheid of afmeting, ergens op
de Oost-Afrikaanse savanne van zes miljoen jaar geleden, te eniger tijd het vuur
gaan gebruiken; zijn ze dermate bijzondere dieren geworden dat al die grote
en machtige mededieren nu bij ons in de dierentuin zitten en dat het nergens
andersom is.
Macht
is één ding. Een ander ding is, dat namen voor de dingen denkbeelden
zijn. Onze soort is in een benoemde wereld komen te leven, in een
denkbeeldenwereld, een woordenwereld, een alleen in ons talige bewustzijn
spelende wereld. Voor ons bestaan de dingen er pas en in zoverre wij er een
woord voor hebben.
Onze voorouders schiepen met hun
woorden de dingen, riepen ze in het leven, in het bestaan. Het groepje vrouwen, kinderen en mannen dat als
eerste mensen een bepaald gebied als hun jachtgebied in gebruik ging nemen,
binnenkwam, was het menselijkerwijs gesproken nog ‘woest en ledig’: was het nog
onbenoemd. Dat groepje gaf er de dingen hun naam, en voor hun nakomelingen
leefden zij in het gedanst/gezongen scheppingsverhaal voort als De Grote
Voorouder die alle dingen in hun stamgebied geschapen had. Die proto-godsfiguur
is dus in wezen de groep eerste ‘kolonisten’, samengebald tot één Scheppende
Figuur – die dan ook onveranderlijk noch man was noch vrouw.
Met het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal gaven onze voorouders hun stamgebied telkens weer opnieuw gestalte. Het was een hachelijk ‘papieren zoldertje’ waarop zij mentaal waren komen te leven, die woordenwereld moest vooral aanvankelijk door herhalingen op herhalingen telkens weer opnieuw bevestigd worden. Ze hadden het gevoel dat hun (woorden)wereld zou ophouden te bestaan wanneer ze hun Scheppingsverhaal niet langer zouden dansen/zingen. Ze werden er religieuze wezens door en dat zijn we nog[5].
Dat
houdt taligheid dus voor mensen
in: we leven in een benoemde wereld, een denkbeeldenwereld, een
woordenwereld. Vandaar dat ons bewustzijn talig is.
Het
is een pad waarop wetenschappers zich nauwelijks durven begeven. Omdat het
glibberig is en zij er hun wetenschappelijke reputatie – en dus hun inkomen –
op riskeren . Maar ik ben portrettekenaar. Mijn inkomen loopt geen gevaar, ik
heb nul wetenschappelijke reputatie en begeef mij dus onbekommerd op ons
pad. “Fools jump in where
angels fear to tread”, zei Alexander Pope. Maar eer u nu geen zin meer heeft om u verder bezig te houden met
hetgeen een leek onbekommerd en vrijblijvend te berde meent te mogen brengen,
moet u nu nog twee dingen overdenken.
Natuurlijk
bent u als wetenschapper vele malen geleerder dan deze portrettekenaar. Echter
… alleen op uw eigen (onderdeeltje van uw) vakgebiedje. Op dat gebiedje hebt u
al moeite genoeg om de ontwikkelingen bij te benen, terwijl u ook nog eens
moeten lesgeven en publiceren en uw relaties en uw ouderschap goed moet zien te
houden. Op alle overige gebieden bent u een even grote leek als deze
portrettekenaar. Voor het reconstrueren van ons mensenverhaal nu moet je
grasduinen op een veelheid van gebieden (‘grasduinen op’, niet ‘je verdiepen in
’!) Wie kan dat? Dat kan alleen een begeesterde oude en alleenwonende
portrettekenaar met universitaire ondergrond. Voilá!
Toch zal ik meer moeten doen om enige geloofwaardigheid bij u te verwerven, want – en dat is wellicht mijn grootste makke – ik beschik ook nog eens niet over het bij dit prestigieuze onderwerp passende geserreerde taalgebruik. Het manco van een artistieke inslag, die echter soms ook creatief denken bevordert.
En
… ik heb een natuurlijke hekel aan onechtheid en duisterheid. Ik kan mijn
verhaal aan elke geïnteresseerde scholier uitleggen en dat doe ik ook vaak.
Wat
(vooral continentale) geleerden van Alan Socal & Jean Bricmont - Impostures
intellectuelles (1997) in hun zak kunnen steken is dat een geserreerde
betoogtrant niet per se diepzinnig hoeft te zijn; dat het er om gaat dat je weet
waar je over praat en dat je zowel autoriteitsargumenten als ingewikkelde
woorden of duister taalgebruik hebt te schuwen. Als je niet simpel uit kunt
leggen wat je bedoelt, snap je het zelf niet goed genoeg.
Misschien
dat mijn literatuurlijst u enig vertrouwen kan geven. Niet echt lang, maar voor
een leek … Om mijn hachelijke geloofwaardigheid te stutten en u ervan te
weerhouden, uw lezing al bij voorbaat te staken, haal ik mijn literatuurlijst
van achter waar hij hoort te staan, helemaal naar voren.
Om
aan te geven aan welke auteurs ik bij het schrijven van mijn teksten het vaakst
terugdenk, zet ik een streepje onder de betreffende achternaam.
LITERATUURLIJST
Ik heb veel teksten en bij ettelijke ervan figureert deze ‘uniforme’ en telkens aangevulde literatuurlijst. Hij is bij geen enkele tekst adequaat in de zin van: enkel de auteurs weergevend die in de tekst worden aangehaald. Hij dient meer als algemene weerspiegeling van mijn geestelijke bagage. Heel onwetenschappelijk. Mijn teksten zijn evenmin wetenschappelijk. Mijn hele project: het nieuwe Grote Verhaal, is geen wetenschappelijk project maar meer een sociaal-religieus project. Maar de er bij gebruikte informatie is dat wel, en er wordt ook uit geen enkele andere bron dat uit die der wetenschappen geput.
De namen van de auteurs die het meest bepalend voor mijn
theorievorming zijn, onderstreep ik. Het zijn er ruim twintig, tot nu toe. Mijn
top-vijf uit het hoofd? Frans
de Waal, Roger Fouts, Ad Borsboom, John Gowlett en Hugh Brody.
Wat hier niet bij kan staan maar wat een even belangrijke bron is, is wat ik allemaal download van het internet. Dat gaat grotendeels over archeologie. Ik bind de teksten in, op een handige manier die ik van plan ben op mijn website weer te geven. De boeken tellen meest 150 – 200 A4’s. De boeken worden van een harde kaft voorzien, genummerd, krijgen elk een titel, ook op de rug. En paginanummering. Omdat de inhoud een willekeurig samenraapsel is van dl’s, worden de titels ervan op de voorzijde geschreven, hetgeen het terugvinden makkelijk maakt. Ik ben nu bezig met dl 258, hetgeen neerkomt op bijna 4 meter dl’s. Dat wordt alleen maar meer.
Even belangrijk zijn de knipsels uit de vier kranten die ik bijhoud: Trouw, De Volkskrant, NRC en De Gelderlander. De knipsels zitten (de kolommen losgeknipt, tot één strook gelijmd, opgemeten en gedeeld door (meestal) 5, ingeplakt in plakboeken, gemaakt van tabloidformaat spul wat in de brievenbus van een portrettekenaar belandt en toch niet gelezen wordt. Elk plakboek telt ruim 200 pagina’s. Elk plakboek is genummerd en gepagineerd (nu is pb35 onderhanden), zodat elk knipsel terug te vinden is via ettelijke kaartsystemen, op onderwerp.
Houdt je wel van de straat, zo’n project.
Abu Zaid, Nasr H. – Mijn leven met de islam (Haarlem, 2002)
Adovado J.M., Olga Soffer & Jake
Page – The invisible sex (NY 2007)
Aitchisson, Jean - De sprekende aap (Spectrum, 1997)
Angier, Nathalie – De Vrouw. De waarheid over het vrouwelijke lichaam. (Amst. 1999)
Armstrong, Karen – Een geschiedenis van God (Baarn, 1993)
Armstrong, Stokoe & Wilcox –
Gesture and the nature of language (Cambr. 1997)
Azawa,
Takeru e.a. – Neandertals and Modern Humans in West Asia (New York, 1998)
Beck, Ulrich – De wereld als risicomaatschappij (De Balie, 1997)
Besten, G.J. den - Mens en Medemens (Gron. 1995)
Beus, Jos de – Economische gelijkheid & het goede leven (Contact, 1993)
Blokland, Hans – Publiek gezocht (Boom, 1997)
Borsboom, Ad – De clan van de Wilde Honing (Becht, 1997)
Boyd & Silk – How
Humans Evolved (New York/London, 2000)
Brown, Donald E. – Human Universals (McGraw-Hill Inc., 1991)
Bruemmer, Fred – Leven met de Inuit (Atrium, 1993)
Burling, Robbins – The Talking Ape (Oxford
Univ. Press, 2005)
Buskes, Chris – Evolutionair
denken (Amsterdam, 2006)
Byrne, Richard – The Thinking Ape
(Oxford UP 1995)
Calvin, William – De rivier die tegen de berg op stroomt (Amst. 1994)
– De opkomst van het intellect (Amst. 1994)
– De speurtocht naar intelligentie (Contact, 1996)
Cambridge Encyclopedia of Human
Evolution (CUP 1992)
Cavalli-Sforza, L. en F. – Wie zijn wij? (Amst. 1994)
Chagnon,
Nap. – Yanomamö, The fierce people (New York, 1983)
Chaisson, Eric – Cosmic Evolution: The Rise and Complexity in
Nature (HUP 2001)
Claessen, e.a. - Inleiding tot de culturele antropologie (Den Bosch, 1989)
Clarke, Robert – Naissance de l’Homme E. du Seuil, 2001)
Collins, Desmond – The
Human Revolution (Oxford, 1976)
Condé, Maryse – Ségou (Amst. 1993)
Corballis, Michael – The
Lopsided Ape (New York, 1991)
Damasio, Antonio – De vergissing van Descartes (Werld. 1996)
– Ik voel dus ik ben (Wereldb. 1999)
Darwin, Charles – De autobiografie van (Uitg. Nieuwezijds, 2000)
– Over het ontstaan der
soorten (vert. Uitg.
Nieuwezijds, 2000)
Deacon, Terrence W. – The Symbolic
Species (New York, 1998)
Debat over de moraal. Uitg. Trouw, 1996
Delfgaauw, Bernard – De Mens en zijn Rechten ( Kampen, 1993)
Dennett, Daniel C. – Het Bewustzijn Verklaard (Contact, 1993)
Diamond, Jared – The third
chimpanzee (Harper P. 1993)
–
Guns, Germs and Steel (New York, 1997)
– Why Is Sex Fun? (Science Masters, 1998)
Dobzhansky – De biologische en culturele evolutie van de mens (Aula, 1962)
Doeve, prof.dr J.W. – Het
Palestijnse Jodendom Tussen 500 vóór en 70 na Chr. (Utrecht 1975)
Donald, Merlin – Origins of the
Modern Mind (Harvard UP, 1991)
Donner, Florinda – Shabono (Baarn,
1982)
Draulans, Dirk – De mens van morgen (Atlas, 1998)
Droste, Flip G. ( red.) – Het neefje van de aap (Leuven, 2003)
Dunbar, Robin – Grooming, Gossip and
the Evolution of Language (London, 1996)
Dijksterhuis, Ap – Het slimme onderbewuste (Amst. 2007)
Ehrenberg, Margaret – Women in
Prehistory (London, 1995)
Ellwood, Wayne – De feiten over globalisering (Novib, Lemniscaat, 2003)
Evolutie van de Mens. 21 auteurs onder red. Natuur&Techn. ( Maastr./Brussel, 1981)
Fasani, Leone – Archeologia
(Helmond, 1981)
Finkelstein, I. en Silberman, N.A. –
David and Solomon (FreePress 2006)
Fouts, Roger – Next of Kin
(Living Planet Press, 1997)
Freke, Timothy & Gandy, Peter –
The Jesus Mysteries (NY, 1999)
French, Marilyn – Een vrouwelijke geschiedenis van de wereld (Amst. 1996)
Galdikas, Biruté – De spiegel van het paradijs (Atlas, 1997)
Gellner, Ernest – Rede en Cultuur (Wereldb. 1995)
Giel, R. – De Vreemdeling. Relaas van een arts ver van huis (Utrecht, 1999)
Gilmore,
David – De man als mythe (Yale Univ. 1990, Amst. ’93)
Gimbutas, Marija – The Language of
the Goddess (London, 1998)
Glasenapp, Helmuth von – Die nichtchristichen Religionen (Fischer B., 1957)
Good, Kenneth – Into the heart (New
York, 1991)
Goodwin, Jan – De tol van de eer (Bruna, 2002)
Goudsblom, J. – Vuur en beschaving (Amst. 1992)
– Het regime van de tijd (Amst. 1997)
– Mappae Mundi (met B. de Vries e.a.), (AUP 2002)
Gould, S.J. e.a. – Verslag van het Leven (Schuyt, 1993)
– The Panda’s Thumb (New York, 1980)
Greenspan, Stanley I. – De ontwikkeling van intelligentie (Contact, 1998)
Grind, Wim van de – Natuurlijke intelligentie ((Amst. 1997)
Harris, Marvin – Culture,
People, Nature (New York, 1988)
– Our Kind (vert. Onze Soort, De Kern, 1989)
Hemleben, Johannes – Darwin (RoRoRo, 1968)
Hoogerwerf, A. – Elites in de Democratie (Tjeenk W., 1997)
Hooff, Jan van – Aspecten van het sociale gedrag etc. (Rott. 1971)
Hove, Chenjerai e.a. – Hoeders van de Aarde (Schuyt&Co, 1997)
Hulspas, Marcel – En de zee spleet in tweeën (Fontaine Uitg. 2006)
Jackendoff,
Ray – Taal en de menselijke natuur (vert. Spectrum, 1996)
Jones, Martin – Feast. Why Humans Share Food (Oxford UP, 2007)
Julien, Paul – Kampvuren langs de evenaar (1951)
Kerkhof, Bas van – Een hekel aan geraniums (Afasie Vereniging Ned., 2003)
Klinkenberg, Gerard van – De mens als natuurverschijnsel (De Beuk, 1997)
Klukhuhn, André – Sterf oude wereld (Amst. 1995)
– De geschiedenis van het denken (Amst. 2003)
Koenis, Sjaak – Het verlangen naar gemeenschap (Amst. 1997)
Kramer,
Samuel Noah – Mesopotamien. Frühe Staaten an Euphrat uns Tigris (RoRoRo, 1971)
Kunneman, Harry – Van theemutscultuur naar walkman-ego (Boom, 1996)
Kurlansky, Mark – Zout. Een wereldgeschiedenis (Anthos, 2002)
Landes, Davis S. – Arm en Rijk (Het Spectrum, 1998)
Landmann, M. – Filosofische Antropologie ((Utrecht, 1971)
Lange, Frits de – Gevoel voor verhoudingen (Kampen, 1997)
Lanpo, Jia – Early Man in China
(Foreign Lang.Press, Beijing, 1980)
Leakey, Richard E. – De Oorsprong van de Mens (Natuur&Techn. 1982)
Lemaire, Ton – De indiaan in ons bewustzijn (Ambo, 1986)
– Twijfel aan Europa (Baarn, 1990)
Lévi-Strauss, Claude – Het trieste der tropen (Editie SUN, 1985)
Lewin,
Roger – The Origin of Modern Humans (New York, 1993) (vert. Natuur&Techn.1996)
Lewin, Roger & Foley, Robert A.
– Principles of Human Evolution (Blackwell, 2004)
Lindijer – Een kraal in Nairobi (Amst. 1995)
Mayr, Ernst – Toward a new
philosophy of biology (Harvard UP, 1988)
Meijer, Fik – Paulus’ zeereis naar Roma. Een reconstructie. Amst. 2000
Middel, Bert – Politiek handwerk (Amst. 2003)
Maybury-Lewis, David – Millennium
(New York, 1992)
Miles, Jack – God. Een biografie
(New York, 1996)
Miles, Rosalind – The Women’s History of the
World (Vert, Stiefdochters van de tijd, Bruna, 1989)
Mithen, Steven – The Prehistory of
the Mind (London, 1996)
Moerman, P. – Op het spoor van de Neanderthal-men (Baarn, 1977)
Monbiot, Geaorge – Niemandsland. Een speurtocht door Kenia en Tanzania (Atlas, 1994)
Morgan, Elaine – Sporen van de evolutie (Ambo, 1996)
–
The
Descent of the Child (Penguin Books, 1994)
Moussaieff Masson, Jeffrey &
Susan McCarthy – Wanneer olifanten huilen (Amst. 1995)
Mulder, Eildert & Milo, Thomas – De omstreden bronnen van de islam (Zoetermeer 2009)
Oxford Linguistics – Language Origins. Perspectives on evolution. Ed. by Maggie
Tallerman. (Oxford Univ. Press, 2005)
Paling, Kees M. – Het Fin de siècle als Uitdaging (Ambo, 1996)
Peyrony, E. & L. Casalis –
Notions de Préhistoire (Perigeux, 1975)
Pinker, Steven – Het Taalinstinct (Contact, 1994)
Reevens, Nicholas – Achnaton. Valse profeet en gewelddadig farao (vert. Baarn 2002)
Ridley, Matt – De oorsprong van de moraal (Contact, 1997)
Roele, Marcel – De eeuwige lokroep (Contact, 1997)
Rudgley, Richard – Het Stenen Tijdperk (Baarn, 1999)
Rijk, L.M. de – Religie, Normen en Waarden. 2e dr. 2008 Bert Bakker
Sapolsky, Robert M. – Herinneringen van een mensaap (Contact, 2001)
Schilder, Marian & Max Lebouille(red.) – De evolutie de baas (AUP 1998)
Schilling, Govert – Tweeling Aarde (Wereldb. 1997)
– De jacht op superexplosies (Wereldb. 2000)
– De kosmos in een notendop (Amst. 2001)
– Wat was er voor de oerknal? Haarlem, 1995)
Schlegel, Stuart A. – Wijsheid uit het regenwoud (BZZTôH, 1999)
Schuster/Smits/Ullal – De Denkers van de jungle (Tandem Verlag GmbH, 2008)
Sierat, Joop – Rapádaba. Mensen aan de Wisselmeren van Irian Jaya (Bergen, 1999)
Slurink, Pouwel – Why some apes
became humans (proefschr. 2003)
Spier, Fred – The Structure of Big
History (Amst.Univ.Press 1996)
Stanford, Craig –
Significant Others (New York, 2001)
Stanley,
Steven S. – Children of the Ice Age (New York, 1996)
Stokkom, Bas van – Emotionele democratie (Amst. 1997)
Stone, Merlin – Eens was God als vrouw belichaamd (Servire, 1979)
Störig, H. – Geschiedenis van de filosofie 1 en 2. (Aula, 1959)
Swaan, Abram de – De mensenmaatschappij (Bakker, 1996)
Swierstra, Tsjalling – De sofocratische verleiding (Kampen, 1998)
Tas, Filip – Volken en Stammen (Amst.Boek, 1976)
Tattersall & Schwartz –
Extinct Humans (new York, 2000)
Taylor, Charles – Wat
betekent religie vandaag? (Klement,
2003)
Thomas, Herbert – Human Origin
(1995)
– L’Homme avant l’Homme. Le scenario des origins
(Galimard, 1994)
Tokarev, S.A. – Die Religion in der Geschichte der Völker (Köln, 1968)
Veer, Peter van der – Islam en het ‘beschaafde’ Westen (Amst. 1993)
Verhoeven, Paul – Jezus van Nazaret (Amst. 2008)
Verlinden, Peter – Hutu en Tutsi. Eeuwige strijd (Leuven, 1995)
Vroon, Piet – Intelligentie (Sesam, 1980)
– De Wolfsklem ( Ambo, 1992)
– De mens als metafoor (met Douwe Draaisma) (Baarn, 1985)
Waal, Frans de – Chimpansee Politiek ((Amst. 1982)
– Van nature goed (Contact, 1996)
– Bonobo (Kosmos, 1997
– De aap en de sushimeester (Contact, 2001)
Walter, Ulrich –
Buitenaards leven. Zijn wij alleen in het heelal? (Natuur & Techn. 2002)
Watson, Peter – The modern mind
(Harper/Collins, 2001)
Watson, Lyall – De Regenmaker (Karnak, 1982)
Westerman, Frank – De graanrepubliek (Atlas, 2001)
Wilson, Edward O. – On Human Nature (New York, 1978)
–
The
Biophilia Hypothesis (Island Press, 1993)
– Het Fundament. Over de eenheid van kennis en Cultuur (Contact, 1998)
Wilson, Hilary – Het volk der farao’s (Bosch&Keunig, 1998)
Wood, Bernard – De eerste mensen(Helmond, 1976)
Wrangham & Peterson – Demonic
Males (London, 1997)
ons
verhaal
“Dit is natuurlijk een post
hoc-verhaal, maar dat zijn alle reconstructies.
Je kunt het nooit bewijzen. Maar het
is een goed verhaal wanneer het
strookt met alle bekende feiten en
als we er wat mee kunnen.”
(Primatoloog
Carel van Schaik in
interview NRC4 mrt ’06)
het begin
Ons
verhaal begint zo’n acht miljoen jaar geleden in de regenwouden van Afrika, het
woongebied van de gemeenschappelijke vooroudermensapen[6]
van de huidige chimpansees, bonobo’s en mensen.
Bonobo’s
delen met de chimpansees en met ons dezelfde vooroudersoort. Ze lijken nog
zoveel op de gewone chimpansees (of andersom) dat ze, doordat ze veel zeldzamer
zijn, nog niet zo lang geleden ‘ontdekt’ zijn – in een Belgische dierentuin
nota bene – als aparte soort met een eigen soortnaam.
Hun
leefgebied is het oerwoud binnen de noordwaartse lus van de Congorivier. Dat
oerwoud heeft nooit wezenlijk te lijden gehad onder de klimaatwisselingen van
de IJstijden, en dus hebben de bonobo’s zich nooit aan veranderde
omstandigheden hoeven aanpassen, zoals ónze voorouders en later ook die van de
chimpansees wél hebben gemoeten. Vandaar dat primatoloog Frans de Waal stelt
dat, willen wij ons een betrouwbare voorstelling van onze vroegste voorouders
maken, we naar de bonobo’s kunnen kijken. Vandaar ook dat ik die
gemeenschappelijke vooroudersoort als ‘ voorouder-bonobo’s’ aanduid. Kort ik gemakshalve af tot vobo’s.
De
vobo’s zijn dus niet alleen ónze primatenvooroudersoort maar ook die van
onze ‘neven’, de chimpansees. Beiden zijn we door omstandigheden anders
geworden, de bonobo’s zijn gewoon gebleven wat ze als vobo’s al waren.
Acht
miljoen jaar geleden waren ónze vobo’s
definitief van hun familieleden gescheiden door de Afrikaanse Grote Slenk,
het breukdal dat zich toentertijd tot een binnnenzee verdiept had. In het deel
dat nu als de ‘hoorn’ van Afrika wordt aangeduid, verdween door een
geleidelijke klimaatverandering het regenwoud. De vobo’s aldaar moesten
zich aanpassen aan wat ervoor in de plaats kwam: savannen[7].
Dus
is een heel andere biotoop dan waar die oorspronkelijke regenwoudbewoners op
gebouwd waren: geen voorouderlijke vruchtbomen meer maar een gebied met open
bossen, uitgestrekte graslanden en struikgewassen. Een biotoop die ook nog eens
onderhevig was aan seizoenswisseling: een korte moessonperiode en dan lange
maanden van droogte.
Dat
aanpassen kreeg alle tijd en verliep volkomen ongemerkt. Ook mensapen struinen
rond in hun territorium, foerageerroutes volgend die door seizoenmatige
afwisseling worden gedicteerd. Daar heeft voor onze vobo’s geen enkele
onderbreking in plaatsgevonden: ze moesten immers elke dag eten. Het enige wat
gebeurde was dat hún foerageergebied in de loop der generaties steeds grotere
open grasvlakten ging beslaan en dat het bestand aan vruchtbomen in hun bossen
achteruitging. Het achteruitgaan van hun regenwoud en het tot savanne worden
ging zo geleidelijk dat ze er nooit erg in gehad hebben. Zo geleidelijk verliep
ook hun fysieke aanpassing aan de nieuwe condities.
Zo
geleidelijk veranderde ook het menu van onze vobo’s, toen hun
foerageerroutes steeds vaker en verder over die open grasgebieden liepen:
graszaden[8],
uit te graven knollen[9],
larven, insecten en hagedissen, vogeleieren, kleine gronddieren. En vooral: de
vellen van door sabeltandtijgers aangeleverd aas. Leeuwen, hyena’s en gieren
hadden zich al tegoedgedaan aan het vlees en zelfs de botten. Maar in de harige
vellen hadden die geen trek. Voor onze vobo’s waren de vellen erg
aantrekkelijk, zoals we nog zullen zien.
Eten
genoeg te vinden op de open graslanden. Maar het was voor mensapen
levensgevaarlijk terrein. Vanwege de grote katten die daar leefden van
olifantachtigen, neushoorns, gnoes, zebra’s, antilopen en gazellen en andere
planteneters. Behalve drie soorten sabeltandtijgers, waren de leeuwen en de
hyena’s bovendien reusachtiger dan de hedendaagse soorten. En ze lustten
bepaald graag mensaap, want die hebben geen horens of gevaarlijke hoeven of scherpe
klauwen; en vooral: ze zijn traag, vergeleken bij de graseters en hun
predatoren die een evolutionaire ‘wapenwedloop’ in snelheid hadden doorgemaakt.
[10]
Dat
de toenmalige graslanden vanwege de reuzenkatten en reuzenhyena’s vele malen
gevaarlijker waren dan de huidige Serengeti is een belangrijk gegeven, waar
nochtans weinig acht op wordt geslagen door de paleo’s[11],
vind ik. Gelukkig – tenminste als je blij bent dat je er bent – kunnen mensapen
iets waar roofdieren een hekel aan hebben: ze gooien met van alles als je in
hun buurt komt.
Jane Goodall, die de chimpansees in het wild bestudeerd heeft, noemt het voorbeeld van Heer Worzle (zij gaf de individuen namen om ze uit elkaar te kunnen houden). De bananen die zij in het woud neerlegde om hen naar haar tent te lokken, daar kwamen ook bavianen op af. Die zijn bijna even groot als chimps en ook voor geen kleintje vervaard, en vrouwen en kinderen lieten zich dan imponeren. Heer Worzle liet zich niet van zijn stuk brengen, hij week geen centimeter, raapte op wat voor zijn handen lag en wierp dat naar hun kop. Soms waren het bladeren, een keer - tot groot genoegen van de bavianen - een tros bananen. Maar langzaam kwam Heer Worzle tot de ontdekking dat stenen het beste waren en na een tijdje ging hij ook steeds grotere gebruiken.
Onze
vobo’s zijn dit mensapenkunstje noodgedwongen gaan ‘professionaliseren’,
zoals ze meer vermogens waar ze vanuit
hun mensaap-zijn al over beschikten, zijn gaan ‘professionaliseren’. Wat het
gooien betreft hield dat in dat hun projectielen stenen werden, zoals Heer
Worzle al liet zien. Die doen niet alleen pijn maar je kunt er ook een
voorraadje van meenemen. Want je moet die wapens natuurlijk bij je hebben als
je je op zulk gevaarlijk terrein begeeft. Aan één steen heb je niet genoeg,
daar laat een troep hongerige reuzenhyena’s zich niet mee verjagen. Maar een
troep schreeuwende mensapen en een hagelbui van stenen, daar heeft zelfs een
sabeltandtijger niet van terug.
Hoe
moet een mensaap in godsnaam een hoop stenen meedragen? Met hun handen
natuurlijk. Hetgeen meteen de vraag beantwoordt waarom wij als enige
zoogdiersoort tweebenigen zijn geworden. Ook een ‘professionalisering’ van wat
chimpansees en bonobo’s al doen: wanneer ze iets zwaars moeten meedragen doen
ze dat met hun handen en waggelen ze op hun benen. De meeste dieren, beren, honden, paarden, noem maar op, kunnen
het – met hetzelfde (on)gemak als waarmee wij op één been hinken.
vellen
Dat
onze voorouders bij dat meedragen van een stapel stenen (en andere mee te dragen
dingen en baby’s) vanaf het begin dierenvellen zijn gaan gebruiken, is een
speculatie die voor de hand ligt als je weet dat die vellen daar overal lagen
te slingeren. Sabeltanders waren gespecialiseerd in het veroveren van een
neushoorn[12], nijlpaard
of andere dikhuid. Maar hun sabeltanden leenden zich niet voor afknagen. Zodra
ze de buik vol hadden, van de ingewanden maar ook van het getreiter van de
ongeduldig wachtende aaseters, hielden ze de resten van hun buit voor gezien. De toenmalige hyena’s hadden niet voor niets
ook reuzen-uitvoeringen!
Gieren
en hyena’s verslinden alles, zelfs de botten, maar die harige vellen zijn echt
niet te vreten. Dat onze vobo’s ze gebruikt zullen hebben als draagtas
vermoeden ook echte wetenschappers[13]. Maar volgens mij waren de vellen voor hen
ook belangrijk als extra bron van proteïnen!
Chimpansees
en ook savannebavianen zijn tuk op vlees en beide soorten hebben daartoe hun
‘jachtmethoden’ ontwikkeld[14].
Onze vobo’s konden jacht op die snelle grazers vergeten; maar ze hebben
vermoedelijk al heel gauw de door aaseters achtergelaten vellen, waar nog
genoeg vet en ander weefsel aan zat, als nieuwe niche (voedselbron)
ontdekt. Want met die handige vingers waarmee ze ook luizen uit elkaars haren
konden ‘vlooien’, konden ze ook de restanten vlees en vet aan de vellen die
buiten het bereik van tanden en snavels waren gebleven, afpulken en opeten. En
al gauw zullen ze er ook scherpe schelpen en steenscherven bij zijn gaan
gebruiken.
Wanneer
een vel helemaal schoon gepeuzeld en geschraapt was, hielden ze er een prima
‘draagtas’ aan over, annex windscherm of zonne- dan wel regenscherm op hun
rustplaatsen, annex ‘deken’ voor de koude nachten – want in de tropen daalt de
temperatuur ’s nachts soms behoorlijk. Kortom, de vellen zijn voor onze vobo’s
vanaf het begin heel gewild geweest, hebben hun ‘rijkdom’ gevormd en hun
overleving ten zeerste bevorderd. Ze zijn bovendien uiterst belangrijk geweest
voor de ontwikkeling van de steenbewerkingstechniek. Aanvankelijk zochten de vobo’s
naar steenscherven. Maar al heel gauw maakten ze die zelf door een steen kapot
te smijten op een grotere steen of met een grotere steen aan scherven te slaan.
Rondcirkelende
gieren gaven de plek aan waar vers aas aan te treffen zou zijn. Zeker
aanvankelijk zullen ze de plek met uiterste omzichtigheid benaderd hebben, maar
in de loop der miljoenen (!) jaren zullen ze steeds brutaler en haastiger de
concurrenten van het aas hebben weggejaagd met hun stenen.
Vrouwen
kunnen niet gooien, want die moeten hun baby meedragen en eten verzamelen.
Mannen kunnen geen knollen gaan zitten uitgraven: leeuwen en andere roofdieren
liggen altijd op de loer, ze moesten voortdurend op hun hoede zijn en hun
wapens paraat houden. Taakverdeling dus, vanaf het begin. Vrouwen en kinderen
verzamelen het voedsel en de volwassen mannen doen niets anders dan zorgen dat
dit in veiligheid kan gebeuren. Die taakverdeling komt de gedragsonderzoekers
van chimpansees bekend voor: ook bij de chimps zijn het de mannen die voor het
vlees zorgen - het ook verdelen, zij het niet met vrouwen en kinderen.
Overigens foerageert bij hen ieder voor zich; mensapen zijn nog scharrelaars
die het gevonden eten meteen en ter plekke verorberen. Onze vobo’s werden
verzamelaars/aaseters.
Het
was de nieuwe leefomgeving die ónze vobo’s dwong tot deze nieuwe
leefwijze. Bewapening (vooral stenen)
meedragen hoort daar bij, dus ook rechtop lopen. Daar zijn zoogdieren niet op
gebouwd: op het op de achterpoten lopen. Voor de vereiste aanpassingen aan bil-
en buikspieren en zelfs aan hun aderen[15]
hebben ze enkele miljoenen jaren de tijd gehad, zo geleidelijk voltrokken zich
de veranderingen van hun omgeving. Het
is best mogelijk dat er een overgangsfase in zoutwater-mangrovebossen, zoals
bij de neusapen in Borneo, tussen zit, maar nodig is de aquatic ape-theorie[16]
niet .
Bij
al die culturele verworvenheden moet je voortdurend bedenken dat de groepen
waarin deze gewoonten het best tot ontwikkeling kwamen, beter floreerden dan de
groepen die er weinig van bakten. Want onze vobo’s waren bepaald niet de
enige hominiden die de noodgedwongen overstap van het regenwoud naar de
savannen hebben gemaakt.
Zeker
is dat onze vobo’s zes miljoen jaar geleden al volleerde tweevoeters
waren: dat bewijzen de fossiele botten[17].
Tweebenige mensapen worden door de paleo’s (paleoantropologen, archeologen en
andere relevante –logen) hominiden genoemd. Of vaker nog: australopithecinen. Dit tongbrekende woord wordt door
mij hier verder afgekort tot AP’s. De paleo’s vinden vanaf de zestiger jaren
het ene AP-fossiel na het andere maar of er ook maar één bij is dat op onze
rechtstreeks voorouderlijke lijn te plaatsen valt, blijft twijfelachtig. Boiseï,
robustus, africanus, afarensis, habilis,
garhi, noem ze maar op, je weet nooit of je een voorouder dan wel de
prooi van een voorouder in handen hebt[18].
Maar ons Verhaal gaat over ónze voorouders, en om die reële maar moeilijk te
traceren variant aan te duiden, noem ik ze, ter onderscheiding van al die
overige AP-soorten, VOAP’s (inderdaad: voorouder-AP’s).
De
voap’s zagen er nog
hetzelfde uit als hun naaste bloedverwanten in het regenwoud en op de savannen.
Ze ‘woonden’ ook nog steeds in de bossen langs de oevers van meren en rivieren,
waar ze voor hun overnachting hun slaapplatforms maakten hoog in de bomen. Al
waren die bomen nu niet langer de reusachtige vruchtbomen van het regenwoud,
maar het lagere geboomte van de open bossen die daar voor in de plaats gekomen
waren. Ook hun handen en voeten bleven op klimmen berekend, ze moesten nog
steeds bliksemsnel de bomen in kunnen als het hun te link werd. Hun voeten
waren al wel een tussenvorm tussen mensapen- en mensenvoeten[19]
door hun manier van voortbewegen.
Als
groepsdieren en chimpansees waren onze vobo’s al heel sociaal, maar vanwege
de nieuwe levensomstandigheden die hen
dwongen voortdurend heel dicht bij elkaar te blijven hebben ze ook deze
mensapeneigenschap ‘geprofessionaliseerd’: als voap’s zijn ze
supersociaal geworden, de meest sociale zoogdieren die de natuur kent.
Een
groepsdier kan niet buiten zijn leefgroep. Dan mist het de bescherming ervan
maar ook de in de cultuur van de
groep opgeslagen kennis die voor het overleven onmisbaar is; kennis die niet
aangeboren is maar die het in zijn jeugd meekrijgt. Het welzijn en de
leefbaarheid van de groep zijn voor elk individu van zo groot belang dat het
bereid is om daar aan individueel eigenbelang[20]
voor in te leveren. Groepsdieren zoals chimpansees, onze naaste verwanten in
het dierenrijk, kennen dan ook een heel
repertoire aan sociale vaardigheden zoals medeleven en troosten,
conflictverzoening, betrokkenheid, goed leiderschap, wederkerig altruïsme,
gehechtheid en vriendschap, verdriet en gemeenschapszin, waar vooral de boeken van Frans de Waal[21]
over gaan.
Chimpansees
kunnen, al hun sociale vaardigheden ten spijt en hoe vreedzaam ze doorgaans
zijn, tamelijk gewelddadig uit de hoek komen. Ze kennen moord en doodslag,
verkrachting en kindermoord, en moorddadige overvallen op hun buren. Als ‘derde chimpanseesoort’[22]
dragen wij dus een gewelddadige erfenis in onze genen mee, vooral onze mannen.
Althans, dat is de boodschap van het boek Demonic
Males van de Amerikaanse
paleoantropoloog Richard Wrangham. Maar wat hierin evenals bij De Waal
duidelijk wordt is, dat elk conflict, hoe ernstig ook, zo snel mogelijk wordt
bijgelegd en verzoend. En dat de vrouwen een belangrijke rol spelen bij de
conflictbeheersing (zijzelf en de kinderen zijn meestal de dupe) en dat die rol
groter wordt als de groep als geheel bij elkaar is bij de voldoende voedselaanbod, of ... in gevangenschap! Dan
kunnen de vrouwen elkaar bijspringen tegen mannelijk geweld.
Bonobo’s
nu hebben een paradijselijk leefgebied dat ze niet hoeven te delen met
gorilla’s (mensapen kunnen niet zwemmen), en ze trekken vrijwel permanent in
grote leefgroepen op. Doordat hun
vrouwen elkaar in bescherming nemen tegen mannelijke gewelddadigheid hebben ze
de gewelddadigheid verregaand uit hun samenleven gebannen. Een belangrijke
‘strategie’ hierbij is de grotere paringsbereidheid van de vrouwen, waardoor
concurrentiegevechten hun zin verliezen. Dé bron van onenigheid bij chimpansees
zijn de statusgevechten tussen de mannen om de voorrang bij de paringsbereide
vrouwen. Bij bonobo’s maken de dames de dienst uit en worden bijna alle conflicten
opgelost met seks: de make love, not war-strategie.
De voap’s nu moesten noodgedwongen in zeer hechte groepen leven, anders werden ze ook een prooi van de loerende roofdieren. Onderlinge statusgevechten zouden een directe bedreiging voor hun voortbestaan hebben betekend. Ze ‘professionaliseerden’ dus hun voorouderlijke sociale vaardigheden. Hoe?
Onze
vooroudervrouwen hebben de bonobo-strategie kennelijk nog verder doorgevoerd.
Mensenvrouwen kennen helemaal geen oestrus
(loopsheid) meer. Ze evenaren de mannen
in paringsbereidheid en ze hebben ook
de voor chimpanseemannen zo intrigerende vaginale zwelling geheel ‘afgeschaft’[23].
Ter compensatie ontwikkelden ze aantrekkelijke borsten en billen waar mannen
hun ogen ook niet van kunnen afhouden. De mannen op hun beurt ontwikkelden de
grootste penissen van alle mensapen.
Zeer
waarschijnlijk hebben, net als bij de bonobo’s, ook bij de voap’s de vrouwen de dienst uitgemaakt en
kenmerkten hun leefgroepen zich door grote onderlinge harmonie en
vreedzaamheid. Leefbaarheid, daar draaide alles om en daar draait het in de
grond voor ons nog steeds om.
Wrangham/Peterson
trekken een directe lijn tussen ons en de chimpansees, omdat wij net als die
oude familieleden nogal wat oorlogszucht en mannelijk seksisme aan de dag
leggen. Maar ik volg de redenering van
Frans de Waal, en trek een lijn tussen ons en de bonobo’s. Die laatsten zijn,
als gezegd, nog steeds zoals de gemeenschappelijke voorouders acht miljoen jaar
geleden (8 mjg) waren. De chimpansees zijn 2.5 mjg van die lijn gaan afwijken
onder invloed van de voortdurende inkrimpingen (en dan weer uitbreidingen) van
hun leefgebieden gedurende de IJstijden, met alle overlevingsgevechten en
mannelijke gewelddadigheid van dien. Mensen zijn ook, maar dan betrekkelijk recent,
van die lijn van make love not war en vrouwelijke dominantie gaan
afwijken en eveneens door overpopulatie. Voor veel hedendaagse culturen is dat
pas enkele duizenden jaren geleden. Misschien heeft de verbetering van de
jachttechniek door pijlenboog en de domesticatie van de wolf tot jachthond de
eerste overpopulatie-situaties geschapen. Maar
de overstap op de tuinbouw (horticultuur) na afloop van de laatste
ijstijd was niet voor de luxe: die was noodgedwongen, en wel door
overpopulatie. Tuinbouwers als de Yanomami en de Bergpapoea’s zijn niet voor
niets oorlogszuchtig en machistisch.
Als
je de gezichten van de bonobo’s en de chimpansees met de onze vergelijkt, dan
zie je dat de chimps veel grimmiger van uiterlijk zijn dan de bonobo’s, die
meer op ons lijken. Die paar duizend jaar van oorlogen, machisme[24],
slavernij en andere ellende is te kort om het lieve uiterlijk van de vobo’s
in te ruilen voor dat van die gemelijke chimpansees.
The third chimpanzee (Jared
Diamond, NY 1992) zou, kortom, moeten luiden: ”The second bonobo”. – En
dan zie ik de chimps daarbij graag als “the third bonobo”.
Hiermee
heb ik de situatie geschetst waarin onze voorouders, nog steeds mensapen, zij
het op twee benen lopend en in vreedzame groepen foeragerend, zich op het pad begeven
hebben dat tot ons leidt. Het enige bijzondere in mijn versie van ons verhaal
is de belangrijke rol die ik toeken aan de gevaarlijkheid van de toenmalige
savanne; met alle gevolgen voor de grote groepsgehechtheid en taakverdeling. En
de belangrijkheid van de gevonden vellen.
Vijf
‘professionaliseringen’ heb ik laten zien. Maar wat nu komt, ons speciale
taalvermogen, is niet echt een ‘professionalisering’. Natuurlijk, die begon met
gebarentaal en gebaren doen de chimpansees al volop. Maar die blijven daarmee
tot in der eeuwigheid (nou ja, ze sterven vandaag bij bosjes uit) tot de
dierenwereld behoren … omdat ze er geen namen voor de dingen mee
ontwikkelen. Omdat ze dat in hun leefwereld niet nodig hebben. Onze voorouders
hebben die wél ontwikkeld, maar als puur toevallig uitvloeisel, niet als
‘professionalisering’. De AP’s deden het prima zonder taligheid. Wij
zouden er niet geweest zijn – of hooguit als een stelletje aapmensen in Afrika
– wanneer er zo’n vier mjg niet heel terloops in één groepje aapmensen het
eigenaardige ‘cultuurtje’ was ontstaan waar de volgende paragraaf over gaat. Ik
ben tot deze mening gekomen door twee recente onderzoeken, door twee vrouwen,
aan boslandchimpansees.
Recentelijk is in het Ugallagebied van Tanzania, waar het regenwoud
plaats heeft gemaakt voor savanne, ontdekt dat de chimpansees aldaar zich ook hebben aangepast aan de nieuwe
omgeving! In de regentijd, wanneer er toch ook ander voedsel in overvloed is,
gaan vrouwtjeschimpansees de open grasgebieden op om maniok en andere knollen
op te graven. Met graafstokken!
Deze ontdekking
is te danken aan het volhardende veldonderzoek van Adriana Hernandez-Aguilar
(zie hieronder ): het heeft haar vier jaar gekost om de schuwe dieren zo aan
haar aanwezigheid te laten wennen dat ze hen met haar kijker kon volgen. Een
heldin. Ze zit voortdurend onder de bulten en ze heeft al vier keer malaria
gehad; ze leeft ver van de beschaafde wereld in een armoedig dorpje waar ze bij
arme mensen een slaapplekje huurt en mee-eet van hun schamele kost. Maar ze
houdt vol, want ze weet dat ze bijzondere informatie toevoegt aan wat we kunnen
weten over onze vroegste voorouders. Ze heeft de boslandchimpvrouwen niet zién
graven, laat staan dat ze hun gegraaf kon filmen of fotograferen. Maar ze heeft
elf graafplekken vers gevonden, met sporen van hun knokkels, van feces en van
uitgekauwde knolresten. En op vier plekken hadden de vrouwtjes-chimps hun
graafstokken laten liggen: stokken met duidelijke sporen van het graafwerk.
Bosland-chimpansees leven in vanwege hun voedselarmere
leefomgeving in kleinere groepen dan hun verwanten in het regenwoud.
Een tweede al even volhardende veldwerkster is Jill Pruetz. Ze
bestudeert de bosland-chimpansees van Fongoli (Oost-Senegal). Die ontdoen met
hun tanden een tak van zijtakken en knagen er een punt aan. Met deze ‘speer’
doden ze bush babies: een kleine apensoort die zich overdag schuilhoudt
in boomholten. Veilig voor aanvallers, maar niet voor een (vrouwtjes)chimp met
een speer. Ook Pruetz heeft vier jaar nodig gehad om zo dicht bij ze te kunnen
komen dat ze hen heeft kunnen bespieden bij hun jacht.
Zij, maar ook hun professoren, gaan er van
uit dat de bosland-chimpansees een beeld geven van de aanpassingen van onze
vroegste voorouders aan hun nieuwe omgeving. Althans wat hun nieuwe
voedselbronnen en de methoden om die te verwerven betreft. De
bosland-chimpansees maken nog geen aanstalten om tweebenig te worden. Ze wagen
zich ook nog niet zo ver van hun woonbossen, en ze eten niet van graszaden.
Belangrijke
vraag: wanneer de bosland-chimpansees tijd van leven zouden krijgen om, bij
verdergaande achteruitgang van hun vruchtbomenbestand en uitbreiding van de
graslanden in hun leefgebied, ook voedseltochten te gaan maken, worden ze dan
na een paar miljoen jaar vanzelf talige wezens (mensen)?
Ik denk van
niet. Hoewel de hedendaagse roofdieren niet meer zo enorm zijn als in het
Mioceen, zouden ze vermoedelijk nog wel genoodzaakt zijn om voor het meedragen
van effectieve bewapening tegen leeuwen en hyena’s (stenen dus) tweebenig te
worden. Misschien zijn er dan ook nog genoeg vellen te vinden of kleine dieren
te vangen en te slachten om a. in hun behoefte aan vlees te voorzien en b. om
oefenmateriaal te bieden voor het ontwikkelen van stenen werktuigen. Maar
vervolgens is deze ontwikkeling voldoende om tot in het einde der tijden een
bevredigend hominiden-leven te leiden. Als je ziet hoe perfect de
savannebavianen (gewone apen, maar aangepast aan de savannen) weten te
overleven, dan besef je dat er geen enkele aanleiding is om dat vreemde pad op
te gaan dat onze voorouders zijn gaan bewandelen.
Nou ja, één
aanleiding zou ik kunnen bedenken: behoefte aan meer communicatie-mogelijkheid
dan de kreten en overige lichaamstaal waar de regenwoudmensapen meer toe
kunnen. De voedselvoorziening op de savanne is heel wat gecompliceerder dan in
het regenwoud, waar je alleen hoeft te weten waar de volgende vruchtboom staat
wanneer die waarin je de dag hebt doorgebracht, leeg is gegeten. Op de
graslanden moet je weten wáár wát te vinden is. Graszaden, uit te graven knollen, larven, eieren, klein gedierte. En in welk seizoen: op de savannen wisselen natte en
droge seizoenen elkaar af. Vandaag is het in de streek waar de oudste resten
van onze vroegste voorouders gevonden worden: het stroomgebied van de
Awash-rivier (Ethiopië), in de maanden februari en maart moessontijd, terwijl
het in de rest van het jaar droog blijft. Tegen het einde van de natte tijd is
er voedsel in overvloed. Maar naarmate de droogte langer duurt, worden de
savannebavianen en werden de hominiden voor een groot deel aangewezen op
graszaden en uit de grond te graven knollen, wortels en bloembollen. Omdat in
het Mioceen de savanne omgeving veel gevaarlijker was, waren de hominidengroepen
met een effectieve taakverdeling tussen de seksen (vrouwen en kinderen
verzamelen het eten, de volwassen mannen zorgen met hun stenen voor de
veiligheid) in het voordeel en ik veronderstel dat onze vobo’s zo leefden.
Behoefte aan
meer communicatie-mogelijkheid dan waar je in een regenwoud-omgeving mee toe
kunt, dat zou dus een denkbare aanleiding kunnen zijn!
Helaas.
Nogmaals... de savannebavianen doen het uitstekend zonder taligheid. De andere hominiden
dan onze vobo’s deden het eveneens voortreffelijk en het is meer dan
aannemelijk dat hun verdere voortbestaan slechts door toedoen van onze vobo’s
onmogelijk gemaakt is. Onze baby’s en kleuters weten nog steeds prima kenbaar
te maken wat er in ze omgaat zonder over taal te beschikken ...
Dus, anders dan ik tot voor kort (vóór de informatie over de
boslandchimps) dacht: er was voor onze vobo’s geen enkele omgevingsnoodzaak om
zich buiten de dierlijke paden te gaan begeven.
Maar ... onze
taligheid moét ooit begonnen zijn.
Dus moet ik
iets nieuws verzinnen. Wel, dan blijft er volgens mij geen ander scenario over
dan dat het begonnen is als een spelletje!
Ik denk dat
het begonnen is in één groep. Met één jong vrouwtje (bij apen en mensapen
begint nieuw gedrag meestal bij jonge vrouwtjes).
Op zekere
ochtend is een jonge meid zo blij dat de oudere vrouwen besloten hebben om naar
een bepaald bekend gebied te gaan dat ze, in haar behoefte om aan haar
vriendinnen duidelijk te maken wat er in haar omgaat, ze met haar handen
imiteert waar ze aan denkt: een bepaalde plant waar ze dol op is! De vriendinnen
snappen wat ze bedoelt, en ze lachen zich dubbel. Ze maken het imitatiegebaar
ook en ze komen niet meer bij. Tien keer, twintig keer, en ze blijven maar lol
hebben. De
volgende dag heeft een ander een
imitatiegebaar bedacht voor iets wat zíj lekker vindt. En weer liggen ze in een
deuk. Zoiets, bedenk ik.
Ik heb een schilderij gemaakt van het moment waarop ik mij
voorstel dat een jong vrouwtje (rechtsonder) de eerste stap zet op het pad dat
uiteindelijk tot ons zou leiden. De wijzende vriendin snapt niet wat haar
bezielt. De zittende peinst, en zal dadelijk opspringen en het gebaar nadoen
...
Maar het kan
natuurlijk ook begonnen zijn met een emotioneel bedachte waarschuwende imitatie
van een gevaarlijke buffel die ergens op die plek waar ze naar toe gaan,
gesignaleerd is. Bedenk het maar. Het moet ooit met zoiets begonnen zijn. Als
een terloopse inval van iemand. In één groep.
Maar omdat het
wel handig is, zo’n imitatie van iets (zo kun je het met de anderen over dat
‘iets’ hebben), lokt dat al gauw meer imitaties uit. Het werd een speciaal
‘cultuurtje’ binnen die groep. Onder de jonge vrouwen: mannen doen daar
aanvankelijk niet aan mee.
De jonge
meiden die voor hun partner verkasten naar een bevriende groep (bij mensapen
verlaten de pubermeiden de groep terwijl de jongens bij hun moeder blijven)
namen het handige aanwensel mee, en zo verbreidde het ‘cultuurtje’ zich onder
de hele stam. De gewoonte hield stand, en breidde zich zelfs redelijk snel uit.
Want het verbeterde de communicatie, en dus de samenwerking, zowel binnen de
groepen als tussen de groepen. De stam floreerde (hield gemiddeld iets meer
kinderen in leven) en overtalligde op den duur de overige aapmenspopulaties die
het zónder deze handige communicatie moesten stellen.
Ónze vobo’s!
Ze waren onze vroegste voorouders.
we werden gebarentalige wezens
Chimpansees
en bonobo’s staan erg open voor gebarentaal. “Toen Nim (een chimp) werd
geconfronteerd met mensen die vloeiend gebarentaal spraken, stond hij perplex.
Hij staarde hen wel vijftien minuten (en dat is lang voor een jonge chimpansee)
aan toen hij ze met elkaar zag communiceren. Gesproken taal kon hem daarentegen
maar enkele seconden boeien. “
Er
zijn vanaf de zestiger jaren experimenten gaande om chimpansees en bonobo’s
taal te leren. Spraakklankentaal haalt niets uit maar met symbolen voor dingen
leren ze aardig werken en ook gebarentaal leren ze, als ze jong beginnen, best
aardig . Maar opvallend minder snel en goed dan mensenkleuters. Jonge chimps
hebben dan ook geen ‘taalprogrammaatje’ in hun hersenschors geërfd zoals de
mensenkleuters.
Washoe
is de eerste chimpansee die aan een gebarentaaltraining werd onderworpen, en
inmiddels leeft ze haar verdere leven in een heel groepje chimpansees die
dezelfde training gevolgd hebben[25].
Binnen dat groepje nu wisselen de individuen veelvuldig gebarentaal-woorden met
elkaar zonder tussenkomst van de onderzoekers. Wat nog opmerkelijker is: ze
‘praten’ ook in gebarentaal in
zichzelf. Washoe is bijvoorbeeld eens hoog in een boom zittend, waar ze zich
voor menselijk gezelschap probeerde te verbergen, gefilmd en ze maakte toen
voor zichzelf het gebaar voor ‘stil’. Een ander maakte het gebaar [ik] [omhoog]
en klom vervolgens op een muurtje. En zo zijn er tientallen waarnemingen
gedaan. Dat is het begin van het een talig wezen worden.
Washoe heeft,
nadat ze door toedoen van een bazige psycholoog haar eigen baby verloren
had, een vier maanden oude chimpansee,
Loulis geheten, als zoon ‘geadopteerd’ en daar communiceert ze, zonder
bemoeienis van de verzorgers, mee in haar gebarentaal. Loulis gebruikt
inmiddels zo’n vijftig gebarenwoorden.[26]
Maar ... minder dan Washoe zelf die er zo’n honderdzestig gebruikt. Men neemt
daarom aan dat deze gebarencommunicatie wanneer het groepje eenmaal zou zijn
teruggekeerd in hun regenwoud[27],
binnen enkele generaties verdwenen zou zijn. Waarom? Mensapen staan er wel voor
open, maar nódig hebben ze het niet. Het is de druk vanuit hun gevaarlijke
nieuwe leefomgeving geweest die de voap’s genoopt heeft, gebarentaal
te ontwikkelen.
In
een regenwoud is het voor de op dat leven toegesneden mensapen een peulenschil
om aan eten te komen. Het hangt in de vruchtboom om ze heen, en wanneer die
leeg is, hoeven ze alleen maar te weten waar de volgende boom staat waarvan de
vruchten nu rijp zijn. Ze wandelen er over de grond naar toe, en onderweg
kijken ze voortdurend omhoog om de stand van hun vruchtbomen in de gaten te
houden. Want ze moeten wel zorgen er op tijd bij te zijn: er zijn genoeg andere
vruchteneters die daar ook van leven.
De
nieuwe foerageeromgeving waarin het regenwoud van de voap’s was
veranderd, was vele malen gecompliceerder. Eten genoeg, maar je moest bij het
rondstruinen een boel meer kunnen en een boel meer weten. Ook de kinderen
moesten een boel meer leren en dat vele kon niet allemaal simpel worden
afgekeken van de ouderen; er was ook heel wat kennis die gecommuniceerd moest
kunnen worden. Kortom, de voap’s konden niet meer uit de voeten met de
simpele regenwoudcommunicatie. Vooral de vrouwen niet.
gebarenwoorden
Een
puur terloops ontstaan ’cultuurtje’: uitbeeldingen van wat ze bedoelden in hun
dagelijkse ‘huishouding’: water, een steen, een bepaalde plant, een handeling,
een bepaald insect, een bepaald roofdier. Of een bepaalde plek, regen, onweer,
een dierenvel, verzin het maar. Met hun handen, met die tien handige vingers.
Daarbij speelden hun waarnemingsvermogen (scherper dan het onze-nu) en hun
imitatievermogen (chimpansees zijn ál en natuurmensen zijn nóg steeds
meesterlijke imitators) een rol. Dat terloops, tussen een paar voap-vrouwen
uit de nood geboren ‘cultuurtje’ zou dus uiteindelijk een zoogdier op de maan
brengen!
Wat
is daar dan zo bijzonder aan? Die uitbeeldingen waren namen voor de
dingen, waren symbolen voor dingen, codes voor dingen,
hoe je het maar noemen wil.
De
nakomelingen van onze voap-voorouders verwierven een uitgebreid
repertoire aan gebarencodes voor alle
planten, dieren, insecten, omgevings-elementen, natuurverschijnselen,
gebruiksvoorwerpen, handelingen en gevoelens welke in hun groepsleven een rol
speelden[28].
Namen voor de dingen! Dat
heeft geen enkele andere soort. Alle groepsdieren beschikken over hun
specifieke communicatie zonder welke ze ueberhaupt geen groepsleven zouden
kunnen hebben. Ze communiceren, in enigerlei soorteigen vorm, met lichaamstaal,
gebaren en vooral keelgeluiden. Chimpansees, en vooral bonobo’s, kwekken wat
af, de hele lieve dag. Maar … ze kunnen het niet met elkaar hebben over iets
wat niet ter plekke waarneembaar is[29]. Ze hebben geen namen voor de dingen.
Namen voor de dingen, dat dóet iets met een dier. Het schept afstand
tussen de noemer en het benoemde. Onze voorouders kwamen steeds meer los te
staan, gevoelsmatig dan, van hun omgeving doordat ze die onder woorden gingen
brengen. Ze gingen de dingen van hun omgeving als objecten zien, als losstaand
van het zelf. Ze gingen hun omgeving objectiveren. Nieuw fenomeen
in de natuur: subject versus object.
Het kunnen noemen
van iets geeft, vanwege dat gevoel van afstand, ook het gevoel van
onafhankelijkheid en macht over het benoemde. Dat merken we vandaag nog
steeds: iets onbestemds als je je niet goed voelt, wordt stukken minder
benauwend wanneer de dokter constateert dat je dit-of-dat hebt. Als het een
naam heeft heb je het gevoel dat je het ‘te pakken’hebt, dat je het kunt
‘grijpen’, er ‘grip’ op hebt.
Je kunt de naam
voor het ding ook zien als een handgreepje gekoppeld aan het denkbeeld
(voorstelling in het brein) van het ding. Met de naam ‘grijp’ je
het ding en met de naam roep je ook het ding op in het
brein van je medevrouw. Of het ding nu op dat moment aanwezig of
waarneembaar is of niet. ‘Begrijpen’ kun je dan ook heel letterlijk opvatten.
Onze voorouders zijn de dingen uit hun omgeving meer en meer gaan begrijpen.
Kleine
kinderen zullen hun naam niet zo gauw prijsgeven aan een vreemde. Bij veel
primitieve stammen mag je een volwassene nooit openlijk bij zijn naam noemen:
is een aantasting van iemands integriteit. De Joden mochten hun god immers ook
niet bij zijn naam noemen? Door iemand (of iets) te noemen tast je het
ook aan.
Ik
laat hier Jane Goodall, de eerste echte veld-ethologe, aan het woord, over een
insect dat op haar arm geland was toen ze ergens in het oerwoud op een favoriet
plekje zat te mijmeren.
Het was een schitterend mooi insect, glanzend groen en goud
en rood, met gouden haren op zijn onderlijf en gloeiend rode ogen. Ik wist
zeker dat het nog nooit beschreven is. Als chimpansees
naar zo’n vlieg
kijken, hebben ze er geen woord voor, ze gebruiken niet het woord
<vlieg>. Ze
kennen zonder twijfel
het concept <vlieg>, maar ze kijken naar dit wezen zonder zich af te
vragen wát het is. Ik kreeg het gevoel dat het besef <dit
is een vlieg> iets afdeed aan de
schoonheid ervan en ik stelde me voor hoe het zou zijn, als
ik het woord <vlieg> losmaakte
van het insect op mijn arm.
Ik keek nu naar het
wezen dat mijn moment in tijd en ruimte deelde zonder er een benaming
aan te verbinden. Toen was er alleen een gevoel van ontzag
en verwondering over de evolutie
van het leven waar we beiden deel van uitmaakten.
(met Wim Kayzer in gesprek in Over
de Schoonheid en de Troost).
Belangrijker
misschien nog dan de macht die het kunnen noemen van de dingen
aan de voap’s schonk was dat het ‘met elkaar kunnen hebben over iets’
hen de mogelijkheid schonk om kennis over te dragen. De door de ene generatie
verworven kennis kon met de namen voor de dingen worden overgedragen op
de volgende. Opstapeling van kennis, in
plaats van dat elke generatie opnieuw hetzelfde wiel moest uitvinden.
Nee, nóg belangrijker misschien was het kunnen
overleggen met elkaar. Twee weten meer dan één, en met een hele groep brainstormend
kun je heel wat problemen aan. Eén hooligan is maar een bang
knaapje, maar voor een hele meute doe je het als ME-er in je broek. Onze voap’s
werden de hooligans van de savanne.
En
vooral de overige AP’s waren de pineut. De voap’s waren kannibalen.
Andere aapmenssoorten waren gewilde prooidieren voor hen. Trouwens, de voap’s
aten ook hun overleden dierbaren
op. Liever dan ze over te laten aan hun concurrenten-aaseters, de hyena’s.
Een
heel zinnige manier van recyclen. Het gaf hen ook het gevoel dat de
overledenen in hen voortleefden: je bent wat je eet. Dis is volgens mij de
belangrijkste reden dat de paleo’s wel leuk wat fossielen van AP’s vinden maar
dat die van de voap’s heel zeldzaam zullen blijven: die aten hun
overledenen op en lieten niets ervan ten prooi worden van hun gehate
concurrenten, de hyena’s[30].
niet begonnen met praten!
Dit scenario gaat er dus
niet van uit dat ons taalvermogen zich ontwikkeld heeft uit het steeds beter
gaan praten, zoals de meeste paleo’s en taalonderzoekers zoals Steven Pinker[31]
nog steeds veronderstellen.
De mensapenkreten worden
neurologisch aangestuurd vanuit het limbische systeem. Dat is een primitief
hersengedeelte binnenin onze hersenen, waar we geen bewuste controle over
hebben. Als we schrikken, of boos schreeuwen, of krijsen van angst, of op onze
fikken slaan bij het timmeren, dan komen onze kreten vanuit het limbische
systeem. Dat blijft zijn rol meespelen bij onze communicatie, en maar goed
ook: het zorgt voor de emoties in onze
stem. Bij het praten hebben wij, Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s),
bewuste controle over onze stemgeluiden [32].
Mensapen
hebben dat niet en de voap’s hadden het
evenmin. Als een chimpkindje stiekem een koekje wil jatten, verraadt ze zich
als ze de deksel open doet en de koekjes ziet: ze kan de voedselkreet niet
inhouden. Ondanks intense inspanningen om een chimpkind te leren praten[33]
is dat nooit gelukt.
Maar fijne hand- en
vingerbewegingen, en dus ook gebarentaal,
worden aangestuurd vanuit de hersenschors, de neocortex. Daar zetelt ook ons talige bewustzijn[34].
De neocortexgebieden die actief zijn bij het spreken, zijn dezelfde als die bij
gebarentaal en bij fijne hand- en vingerbewegingen. De gebarentaal is
een ‘professionalisering’ van het mensapenlijke gebruiken van gebaren bij hun
communicatie.
Wat we wél mogen
veronderstellen is, dat onze aapmens-voorouders hun gebarencommunicatie al heel
vroeg verrijkt hebben met klik!- en plof!- en blaas!-geluiden, gevormd met
tong, lippen en wang, waar ze wél neocorticaal controle over hadden.
Pas
het meest recente menstype, de Anatomisch Moderne Mens (AMM)[35]
, waartoe alle nu levende mensen waar ook ter wereld behoren en die pas zo’n
150.000 jaar bestaat, beschikt over een ingedaald strottenhoofd en over een
daardoor grotere keelholte, hetgeen erop wijst dat pas dié variant met
spraakklanken begon te praten.
Taal,
ook gebarentaal, is een cultureel fenomeen, en dus aan verandering en
ontwikkeling onderhevig. Gebarentaalgroepen die al eeuwenlang geen contact met
elkaar gehad hadden, konden elkaar dus niet meer ‘verstaan’.
symbolentaal
De
gebarentaalcodes (symbolen, woorden) zijn niet alleen een uiterlijk gebaar,
maar ook een beeld in je kop, een ‘representatie’ in de hersenen[36].
Dat is al waar te nemen bij Washoe en
haar ‘gezinsleden’: als ze iets zien of aan iets denken, maken ze automatisch
het gebaar erbij.
Het
zijn begrippen: de voap-vrouw hoefde geen steen meer op te pakken of er naar te kijken of te
wijzen als ze een steen bedoelde: ze greep
de steen met de in haar leefgroep gebruikelijke gebarencode voor ‘steen’. Haar
mentale voorstelling van ‘steen’ (haar denken aan een steen: haar beeld van een
steen, gekoppeld aan de gebarencode ervoor) kon ze uiten met die
gemeenschappelijke gebarencode. Ze kon de steen ‘steen’ noemen met dat
gemeenschappelijke gebarencode-woord. En zo kon ze honderden planten, dieren,
dingen en handelingen noemen en er over van gedachten wisselen: die codes zaten
allemaal in haar neocorticale netwerk, niet alleen als voorstelling maar
gekoppeld aan de serieel geschakelde spieraansturingscommando’s die haar er de
juiste gemeenschappelijke gebarencodes voor lieten maken.
In
haar linker hersenhelft[37].
Mensapen communiceren niet alleen via
gezichtsuitdrukkingen en door te roepen, maar vaak ook door middel van gebaren.
Bonobo’s gebaren meestal met de rechterhand (wenken, bedelen, e.a.) wat wijst
op een begin van specialisatie en lateralisatie van de hersenen die de basis
vormt van het menselijk taalvermogen. De Waal, Bonobo 1997). Ook chimps
leggen bij gebaren al een voorkeur voor hun rechterhand aan de dag. En u weet immers dat uw linker-hemisfeer de
rechterkant van uw lichaam-plus-uitsteeksels aanstuurt en uw rechter-hemisfeer
de linkerkant?
Zelf denk ik aan nog een ander mechanisme. Voor een
boomdier heeft een grotere ‘handigheid’ van één van beide handen geen
overlevingsvoordeel omdat takken en vruchten zich overal om het individu heen
bevinden. Maar voor tweebeners op de grond wel. Vrouwen dragen hun baby links,
omdat het kindje daar nog moeders hartenklop waarmee het zo vertrouwd is,
waarneemt en zich dus het rustigst voelt; dan hebben de moeders de rechterhand
vrij voor hun verzamelarbeid en hun communicatie[38].
Op de lange duur werkt dit door in de erfelijkheid. Gebarentaligen gebaren ook
het meest met hun rechterhand, de linker is meer ondersteunend. Bij
linkshandigen is het ook bij hen omgekeerd.
Vandaar
dat de ‘taalcentra’ ook bij ons vooral in de linker hersenhelft zitten. Die
zijn bij vrouwen iets groter dan bij mannen, wat er op zou kunnen wijzen dat de
gebarentaal in eerste instantie vooral een vrouwenhebbelijkheid geweest is.
Voor
mannen gold die hartenklopbeperking uiteraard niet en vandaar misschien het nog
betrekkelijk grote aantal (18%) linkshandigen.
Kun je onze voorouders in die AP-fase als mensen
beschouwen? Ze zijn dan immers al talig aan het worden?
Wanneer we als hét grote verschil tussen ons en de
overige dieren, chimpansees en bonobo’s incluis, ons talige bewustzijn
aanwijzen, dan zou ik ons in de voap-fase nog steeds als dieren
beschouwen. Ik denk dat hun handelen nog steeds voornamelijk door overgeërfde instincten werden aangestuurd.
Hun communicatie zal de simpele aanduidingen van dingen en handelingen als
[water] voor “haal water” of [geef] [noot], communicatie zonder
verbindingswoordjes of complexere zinnen, nog niet overstegen hebben. Maar we
hebben het alsmaar over miljoenen jaren, hoeveel generaties zijn dat niet? vijf
per eeuw, reken zelf maar uit. Elke generatie bracht deze ontwikkeling een
bijna onmerkbaar stapje vooruit. Ons taalvermogen heeft er zo onvoorstelbaar
lange tijd voor gehad om te ontstaan en te groeien, met die niet aflatende
communicatiebehoefte als drijfveer, dat we daar niet moeilijk over hoeven te
denken. Onze dreumesen spelen ons de ontwikkeling van kretologie naar
symboolgebruik nog steeds ‘life’ voor. Zodra ze rond kunnen drentelen, gaan ze
hun eerste monosyllabische aanduidingen produceren: Uit! Mee! Auto! Joepie!
(gooi me de lucht in, opa!) en hun overige lichaamstaal laat aan hun
bedoelingen niets te raden over. Doofstomme kindjes maken in een gebarentalige
omgeving exact dezelfde ontwikkeling in dezelfde periode en hetzelfde tempo
door, en ook die beginnen met ‘brabbel’-gebaren.
Dit is de bevinding van Laura-Ann Petitto. Ze
verricht baanbrekend onderzoek naar de overerfelijke taalprogrammaatjes waarmee
onze kindjes zo makkelijk mensentaal, of het nu gebarentaal is of gesproken
taal, leren gebruiken, terwijl chimpanseekindjes dat heel moeizaam en gebrekkig
leren omdat ze niet over zo’n taalprogrammaatje beschikken. Ze is tot dat
onderzoek gekomen doordat ze in 1974 als 19-jarige studente uit een aantal
andere gegadigden gekozen werd tot begeleidster van eerdergenoemde Nim die als
jong chimpanseekind gebarentaal moest leren.
Het Project Nim Chimpsky stond onder leiding van
Herbert Terrace, een behaviorist. In de gedragspsychologie van de jaren
vijftig in Amerika heerste de opvatting dat het gedrag bij dieren uitsluitend
gevormd wordt door het straffen/belonen vanuit de omgeving van het individu.
Mensen hebben verstand dus die kunnen iets leren; maar ook kinderen leren door
bestraffen/belonen, menen de behavioristen.
Terrace had uit voorgaande experimenten van anderen
begrepen dat je chimpansees niet kunt leren praten omdat die a. het juiste
stemapparaat missen (een te dunne tong en te korte keelholte) en b. ze hebben
geen controle over hun kreten (die worden neurologisch aangestuurd door het
limbische systeem). Tot zover had hij het allemaal goed, en ook zijn besluit om
de training te richten op het aanleren van gebarentaal was oké. Maar zijn
uitgangspunt als behaviorist (dieren leren uitsluitend door
straffen/belonen, als een soort machines, dus ongeacht de sociale omgeving) was
fout. Nim werd in een kaal bakstenen vertrek (kon hij door niets worden
afgeleid) door telkens andere medewerkers (kon hij niet gevoelsmatig afgeleid
worden) drie jaar lang tweemaal daags als volgt onderwezen. Er werd een snoepje
of een speeltje getoond dat hij graag wilde hebben. Dan werd het gebaar ervoor
gemaakt. Pas wanneer hij dat gebaar imiteerde, kreeg hij het. Welnu, zo leerde
hij in vier jaar tijd 120 gebaren. Hij begreep 166 gebaren en kon er 100
gebruiken zegt Petitto, die gedurende die jaren zijn vaste verzorgster was.
Het verschil met mensenkinderen is duidelijk genoeg.
Nim gebaarde alleen spontaan als hij iets wilde eten, drinken of spelen. Kleine kinderen kletsen honderduit uit
zichzelf. Hoe slim Nim ook was in het overbrengen van zijn gevoelens en wensen,
en hoe goed hij ook kon imiteren, hij miste iets wat mensenkinderen wel hebben
en waar die blijkbaar mee geboren worden.
Nu was het behavioristische experiment met Nim gewoon
dom en daardoor leerde hij zo gebrekkig gebarentaal. Leren in een sociale
omgeving zoals het chimpanseekind Washoe onderging en zoals mensenkinderen dat
normaal ondergaan werkt veel beter.[39]
Washoe leerde, als een mensenkind, spelenderwijs en doordat haar
(mensen)omgeving uitsluitend gebarentalig was. Ze leerde niet alleen sneller
meer gebarenwoorden te gebruiken, ze gebaarde ook uit zichzelf tegen haar pop
als ze zich onbespied waande; als ze zag dat er iemand keek, hield ze er mee
op, net als een mensenkind en als ze dacht dat die persoon vertrokken was, ging
ze door met ‘praten’ tegen haar pop. Later heeft ze haar zoontje Loulis zonder
enige inmenging van mensen (dat was een afzonderlijk experiment) 52
gecontroleerde gebaren leren gebruiken in de alledaagse omgang met zijn
‘familie’.[40] Maar
evengoed blijft de kloof bestaan tussen het taalgebruik en het taalleren van
mensapen en mensenkinderen. Dat er dingen in taal zitten die een aap blijkbaar
met de beste wil van de wereld niet zijn bij te brengen, terwijl elk normaal
kind ze probleemloos oppikt, dat vraagstuk zette Petitto op het spoor van haar
onderzoekscarrière.
Ze is gaan bestuderen, met alle mogelijke slimme
experimenten, hoe kinderen taal verwerven en hoe mensaap-kinderen zoals Nim dat
doen. Ze had zich in het kader van het verzorgen van Nim al bekwaamd in het
ASL, de Amerikaanse gebarentaal waarin Nim werd onderwezen, en ze verbaasde
zich nogal dat in de literatuur over kindertaalonderzoek uitsluitend van
spreektaal werd uitgegaan. Apen kunnen niet praten en daarom kun je ze geen
taal leren zo was de redenering. Kinderen hóren praten, beschikken
neurofysiologisch over het vermogen om die geluiden in stukjes te ontleden en
gaan tenslotte met die stukjes zelf woordjes produceren, zo gold de
baanbrekende theorie van Chomsky. Maar … Petitto had toch in de bloeiende dovencultuur
van New York met eigen ogen gezien dat de kindjes zonder enig taalgeluid
die doventaal oppikken?
Ze volgde dove kinderen en horende kinderen, keek in
twee landen (USA en Canada) naar twee verschillende gesproken talen (Engels en
Frans) en twee verschillende gebarentalen (ASL en QUEBECS). En wat bleek? Zowel
de horende als de dove kindjes begonnen met zes maanden te brabbelen met mondje
of handjes, en kwamen met twaalf maanden met hun eerste woordjes of gebaren. Ze
praten over dezelfde dingen en hebben met dezelfde dingen moeite. Ze bouwen
ongeveer dezelfde woordenschat op en verwarren rond dezelfde periode ‘ik’ en
‘jij’.
Petitto was de eerste die constateerde dat dove
baby’s die in gebarentaal worden toegesproken, systematisch andere
handbewegingen maken dan horende baby’s waartegen gepraat wordt, en ze kon niet
anders dan concluderen dat dit brabbelen in gebarentaal moest zijn.
Brabbelen in gebarentaal? Dat vonden veel
collega-taalkundigen ál te dol. Dat kinderen hun praten beginnen met het
uitbrengen van willekeurige reeksen klanken (bababa, tatata, papapa[41])
was bekend. Geleidelijk beginnen dan de klankpatronen van hun omgevingstaal
door te klinken. Spraak en het oefenen van de mondspieren moest de basis van
alle taalverwerving zijn, was hun stellige overtuiging. Ze rieden Petitto
klemmend aan, haar carrière niet op het spel te zetten met zo’n gewaagde
veronderstelling als brabbelen in gebarentaal. Dus ging Petitto braaf alles
weer checken en nog eens checken, met weer andere kinderen, enzovoort. Tot ze
zich zo zeker van haar zaak wist dat ze de sprong waagde met een artikel in Science.
En wereldwijde achting was haar deel.
Maar ook hierna bleef ze experimenteren. Nu met
lichtdiodes op de handjes geplakt om heel precies de handbewegingen op film te
kunnen registreren. Met drie verschillende groepen: dove baby’s tegen wie
gebaard werd, horende baby’s tegen wie gepraat werd en horende baby’s tegen wie
gebaard werd. De resultaten kwamen in grafieken. Die grafieken lieten twee
soorten frequentiepatronen zien. Het ene patroon kwam bij alle baby’s voor, het
andere alleen bij de baby’s die gebarentaal aan het leren waren! De afwijkende
bewegingspatronen hadden een frequentie van één á anderhalf hertz (hertz is de maat waarmee je
bewegingen meet), en ze bleken allemaal brabbelen te betreffen! Terwijl de
gewone bewegingen grijpen of zwaaien of zo betroffen. Exact dié frequentie,
wist ze, zit ook in het brabbelen van pratende baby’s, dus de streepjes tussen
ta-ta-ta. Alle baby’s, of ze nu doof of horend geboren worden, blijken een
gevoeligheid voor een tijdvenster van rond één hertz te hebben. De
hersenprogrammaatjes voor die hertz-gevoeligheid blijken aangeboren, ze blijken
in ons genoom te zitten!
Dus nu ging Petitto op jacht, met hersenscans, naar
de hersengebiedjes welke hierbij een rol spelen. Ze wist al dat zowel gesproken
als gebaren-talen vooral in de linkerhersenhelft verwerkt en geproduceerd
worden. Ze wist dat de eerste verwerking van spraakgeluid plaatsvindt in het planum
temporale, een gebiedje dat grenst aan het gehoorcentrum; het licht op als
je een horende baby brabbels (ta-ta-ta, ba-ba-ba) laat hóren. En zie je wel,
het licht ook op als je een dove baby gebarenbrabbels laat zien! Wat? het licht
ook op als je die aan een horende baby laat zien!
Nou, daar gingen de haren van de spraakfanaten pas
goed overend. Maar ja, scans liegen niet.
Gemiddeld gebruikt een taal zo’n vijfenveertig
verschillende klanken (fonemen) om woorden mee te vormen. In gebarentaal hebben
handconfiguraties (cheremen) dezelfde functie: sommige komen wel voor in een
bepaalde gebarentaal, andere niet, maar ook dat zijn de ‘bouwstenen’ voor het
vormen van gebarenwoorden en het zijn er, opvallend genoeg, ook zo’n
vijfenveertig verschillende. Maar de meeste taalkundigen zijn totaal onkundig
van hoe gebarentaal in elkaar zit en ze blijken moeilijk te bewegen om er
kennis van te willen nemen.
Taalvermogen draait dus om de kunst een taalstroom, of het nu een stroom klanken of een stroom gebaren betreft, te kunnen opdelen in stukjes en die ‘bouwstenen’ snel te kunnen herkennen: categoriseren, in de juiste hokjes van dit hoort bij dit en dat hoort bij dat, te plaatsen.
Over dat vermogen beschik je als je geboren bent met het hersenprogrammaatje ervoor. Daar worden alleen mensenkindjes mee geboren. De chimpanseebaby’s als Washoe of Nim hebben het niet. Ze kunnen dingen snappen, onthouden, associëren; ze worden geboren met sociale vermogens; ze kunnen losse woorden leren begrijpen en losse gebarenwoorden leren gebruiken, met wat moeite. Maar ze kunnen ze niet tot ‘bouwstenen’ reduceren en die tot nieuwe woorden combineren. Ze kunnen hooguit zelf nieuwe combinaties verzinnen (WATER VOGEL = eend, BES PIJN = radijs[42]), maar veel verder kunnen ze nooit ofte nimmer komen. En moet je dan zien hoe vlot en moeiteloos de mensenkinderen duizenden woorden leren nog voor ze een voet op school gezet hebben. Hoe ze de woorden kunnen verbuigen en vervoegen al maken ze daar nog fouten mee. Maar juist doordat ze dingen zeggen als ‘geslaapt’, zie je dat ze niet na-apen maar al weten hoe hun moedertaal wérkt. Taal, woorden bouwen en zinnen bouwen verloopt steeds op dezelfde manier, volgens dezelfde basisprincipes.
Die frequentie van ongeveer een hertz waarmee de
mensenbaby’s spraakgeluiden of gebarenbewegingen in hun hersennetwerkjes in
stukjes (lettergrepen, syllaben) verdelen, dát is wezenlijk voor ons
taalvermogen en dat valt niet na te ‘apen’.
Een
lange uitweiding, naar aanleiding van het werk van Petitto[43], over het wezenlijke van taal, over het kleine
maar wezenlijke verschil tussen onze hersenen en die der mensapen: het
‘programmaatje’ in het planum temporale.
De
voap’s begonnen met de aanmaak ervan. Het begon ongetwijfeld met één
voap-vrouw in één voap-groep – want dat is aannemelijker dan dat het in
meerdere groepen begon. En wel héél vroeg. Zodra de omstandigheden onze vobo’s
dwongen om over te gaan op tweebenigheid en om AP’s te worden, oefenden die
druk uit op de vrouwen om hun communicatie te verfijnen. Zodat het niet lang
uit kon blijven dat in die ene AP-groep die ene AP-vrouw haar handen ook ging
gebruiken om een gebaar-imitatie te maken van iets wat ze bedoelde. Het uiterst
simpele begin van een ‘cultuurtje’ in één populatie. Maar het maakte die
populatie wel heel anders dan alle overige AP-populaties. De voap’s
kwamen anders in het leven te staan.
Het
ging wel allemaal heel langzaam. Hun ‘taal’ bestond nog heel lang uit losse
‘woorden’, zoals de mensapen die ook kunnen leren gebruiken. Maar toch konden
ze het met elkaar al over de dingen hebben, in plaats van er een deel
van te zijn. De familie Washoe in Ellensburg communiceert met elkaar
over dingen die ze zien uit het raam van hun binnenverblijf, over dingen
die ze hun verzorgers zien doen, over dingen die ze in hun tijdschriften
zien (plaatjes). Zij zijn daarmee de enige wezens naast ons, mensen, in het
geheel der natuur, die het met elkaar kunnen hebben – al is het nog zo
primitief – over iets wat niet direct waarneembaar is en wat alleen speelt in
de gedachte van een individu.
Ik
denk dat we daar in Ellensburg een beeld kunnen zien[44]
van hoe onze vroegste AP-voorouders communiceerden met hun nieuwe verworvenheid
van namen voor de dingen. Maar dan niet in een ‘verzorgingstehuis’ zoals
daar, maar in hun stikgevaarlijke savanneomgeving en een heel wat moeizamere
overlevingssituatie.
Het
begon dus als gebarentaal, met de stemgeluiden in een aandachttrekkende en
ondersteunende rol, en met veel mimiek en overige vormen van lichaamstaal. De
AMM’s, zijn de eerste mensen bij wie die rollen zijn omgekeerd. De AMM’s zijn
voortgekomen uit de ‘Nilotische’ tijdgenoten van de Neanderthalers[45].
Ze zijn een aan de tropische warmte aangepaste variant van de laatste erectus-populaties
van Afrika. Lang en slank, met langere nekken.
Natuurlijk
is er vanaf het begin een druk geweest op het steeds betekenisdragender maken
van spraakklanken bij de gebarentaal: die is tenslotte niet erg praktisch in
het donker of als je je handen vol hebt[46].
En als vobo’s gebruikten we onze stem al volop, te oordelen naar de huidige
chimpansees en vooral bonobo’s. Dus hebben ook de VOAP-dames hun stem al volop
gebruikt ter begeleiding van hun gebarencommunicatie.[47]
Maar
nogmaals, de mensapen beschikken niet over de benodigde ‘software’ in hun
hersenen en bleken niet te kunnen leren praten. Gebarentaal ging wel. Misschien
is een nog grotere hinderpaal dat de mensapen geen controle hebben over hun
stemgeluiden.
Mensapen
kunnen hun voedselkreten niet voor zich houden, en dat was voor Washoe knap
lastig als ze stiekem een koekje wilde jatten uit het trommeltje. Onderzoekers
haalden het gemene experiment uit met de jonge aap die ze stiekem, als de
volwassen mannen even niet opletten, een banaan toestopten. Die kwamen echter onmiddellijk aansnellen op
aapjes voedselkreet en confisqueerden de banaan prompt. Tot vijf keer toe. De
zesde keer wist het arme aapje zijn voedselkreet binnensmonds te houden, maar
hij kokhalsde en stikte er zowat in. Probeer maar eens een hoestprikkel binnen
te houden!
De
Homo erectus-mensen (HE’s), tot en met de Neanderthalers (NT’s), hadden
nog steeds de mensaapachtige bouw van hun stemapparaat. Mijn idee is – ik had
het er al even over - dat de HE’s,
vanwege eerdergenoemde ongemakken (handen vol, communiceren in het donker of om
een hoekje) hun gebarencommunicatie vergezeld te doen gaan van stemloze
klik!-geluiden, waar je neurologisch wél controle over hebt, net als over je
gebaren. Dat daar heel wat fonemen mee te maken zijn, laten de Khoisan-talen
van Zuid-Afrika zien.
Hoewel klik-fonemen
hun oorsprong vinden in de Khoisan talen heeft isiXhosa een ruim aantal
overgenomen. Er zijn drie basis kliks:
c (dentale klik, zoals in 'tsk,tsk, nee hoor dat mag niet, hoor!') x
(laterale klik: een zijdelingse klak die men wel gebruikt om paarden mee aan te
sporen) q (palatale klik, die klinkt als het ontkurken van een champagnefles).
Iedere klik komt voor in zes vormen: x (de klik zelf), xh (geaspireerd), gx (stemhebbend), nx (genasaleerd), ngx
(combinatie van drie der voorgaande),
nkx (voorafgegaan door nasaal). Een woord kan meerdere kliks bevatten,
maar dat zijn in de regel vormen van dezelfde basisklik: iqhoqhoqho
(luchtpijp), uqongqothwane (klopkever ('tokkie')). In plaatsnamen zijn er soms
twee verschillende kliks, zoals iQonce (Koning Willemstad).
(van: Wikipedia, zoekterm
‘klik-talen’)
Waarmee ik maar wil laten zien dat de mogelijkheden voor de begeleidende geluiden bij de gebarentalen van de Vroege Mensen legio waren.
Daarnaast vermoed ik dat de druk om de stille gebaren begeleid te laten worden door betekenisdragende geluiden er voor gezorgd heeft dat de HE’s hun gebaren al volop hebben aangevuld met echte stemgeluiden. En dat daar het zingen bij hun dansen/zingen een belangrijke rol heeft gespeeld.
Die
begeleidende stemgeluiden zijn bij de nilotische AMM’s, vanwege de geschiktere
bouw van hun stemapparaat, zo betekenisdragend geworden dat ze er hun gebaren
steeds minder bij nodig hadden en dat die steeds meer een bijrol te vervullen
kregen.
Dat
de gebarentaal echter onze oorspronkelijke manier van symbolisch communiceren
moet zijn geweest, blijkt wel uit het feit dat we nog steeds moeilijk zonder
gesticulatie kunnen; terwijl die eigenlijk nergens meer op slaat. Zelfs onze
telefoongesprekken begeleiden we met gebaren! Recent onderzoek van de
universiteit van Manchester (Trouw, 14 mrt ’03) wijst uit dat mededelingen die
met handgebaren ondersteund worden, ook beter begrepen en onthouden worden. En
sterker nog: blindgeborenen (!) gesticuleren volop, ook tegen elkaar, en maken
blijkens een onderzoek dezelfde soort handbewegingen bij opgegeven spreektaken
als zienden.[48] Het recent
gepubliceerde onderzoek van Laura-Ann Petitto levert een aanwijzing temeer: die
wezenlijke hersenprogrammaatjes waarmee onze kindjes ter wereld komen, kunnen
onmogelijk het resultaat zijn van
slechts honderdduizend jaar evolutie: een veel te korte tijd.
Onze
baby’s komen nog steeds als een soort neanderthalertjes ter wereld. Ze hebben
nog van die korte, aapachtige nekkies, en hun strottenhoofdjes zijn nog niet
permanent ingedaald zoals bij ons, AMM’s. Baby’s kunnen nog tegelijk ademhalen
en slikken. Ik denk dus dat de NT’s dat ook nog steeds konden. Ik denk dus ook
dat de NT’s nog steeds voornamelijk gebarentalig waren. Behalve die opvallend
aapachtige bouw van hun nekken is er nóg iets dat wijst op hun gebarentalig
zijn. In P.Moerman Op het spoor van de Neanderthal-mens (Baarn, 1977)
stuitte ik op het volgende. Het fossiele skelet van de ‘oude man van La
Chapelle-aux-Saints’ is zo volledig dat er zelfs heel veel polsbeentjes van
bewaard gebleven zijn. Deze zijn door een specialist bestudeerd en die bevond
dat de NT’s wel grote en oersterke handen hadden, maar dat “die gezien de
polsgewrichten veel beweeglijker naar alle richtingen moeten zijn geweest dan
de handen van de tegenwoordige mens”.
Nu
moet ik alleen nog van een specialist te horen krijgen of de handen van een
levenslange gebarentaalspreker inderdaad veel beweeglijker zijn dan die van een
levenslange spraakklankentaalspreker.
Een
andere aanwijzing voor de oorspronkelijkheid van gebarentaal komt uit de
antropologische literatuur. Wilhelm Schmidt[49]
komt in zijn verhandeling over de oudste culturen der mensheid te spreken over
het bidden: het zich geestelijk tot de Grote Voorouder wenden dat
primitieve jagers doen voorafgaand aan jacht of visvangst. “Moeilijk als
zodanig te herkennen is het in gebaren uitgedrukte gebed, in Zuidoost-Australië
bijvoorbeeld en in zijn meest intensieve vorm bij de Selisj-indianen in
Noordwest-Amerika.” Ik denk inderdaad
dat de al met spraakklanken communicerende AMM-jagers zich voor hun jachtgeluk
nog lang verlaten hebben op hun oeroude en dus sacrale gebarentaal. Ook de
hedendaagse kerkelijke rituelen kennen nog veel sacrale gebaren. Al deze feiten
wijzen er op dat gebarentaal heel diep in ons wezen verankerd ligt en dat de
spraakklankentaal een betrekkelijk recent verschijnsel is.
namen
voor de dingen, en die in een woordenschat
Alle groepsdieren communiceren met elkaar en
beschikken dus over een of andere vorm van communicatie. Olifanten, walvissen en
dolfijnen, wolven, paarden, honden, ze hebben allemaal een verfijnd repertoire
om hun soorteigen gevoelens en kennis met elkaar uit te ruilen. Onze naaste
familieleden, de chimpansees en de bonobo’s, spannen hierin de kroon. De
chimpansees, die veel langer en uitgebreider voorwerp van onderzoek zijn
geweest dan de zeldzamere en moeilijker bereikbare bonobo’s, kennen 13 verschillende stemgeluiden waarmee
13 verschillende dingen bedoeld worden. Het repertoire wordt uitgebreid met
gelaatsuitdrukkingen en lichaamshoudingen of –bewegingen.
Het
bonobo-repertoire is zeker zo groot, omdat ze veel socialer zijn dan de
chimpansees. Chimpansees maken lagere grom- en blafgeluiden en zijn wat
zwijgzamer vergeleken bij de bonobo’s, voor wie alles aanleiding is om er uitgebreid
en opgewonden over te communiceren met hun hoge kefgeluiden.
Toch is dit allemaal niet wat ik onder taal versta. Taal is voor mij namen voor de dingen. Dat hebben alleen mensen ontwikkeld. Hoe dat hen zo machtig heeft gemaakt in de natuur en hen heeft doen uitgroeien van een nauwelijks traceerbaar ondersoortje ergens in Oost-Afrika tot een de gehele aarde koloniserende en dominante soort, daarover krijgen we het verderop.
Maar wacht eens. Chimpansees kennen 13 verschillende stemgeluiden.
Waarmee ze 13 afzonderlijke dingen communiceren. Chimps beschikken over 13
‘woorden’ dus! In hun voedselkreten is bijvoorbeeld verschil tussen die voor
vegetarisch voedsel en die voor vlees!
Ja
zeg: daarmee kun je niet echt van een
woordenschat spreken! Laat staan dat ze daar hun ‘wereld’ mee onder woorden
kunnen brengen of dat ze het daarmee met elkaar kunnen hebben over wat niet
waarneembaar is op dat moment.
Niettemin:
de opmerking is terecht. Dus ik wijzig mijn definitie van het wezenlijke van
het uniek-menselijke fenomeen taal : het kunnen beschikken over een woordenschat
aan namen voor de dingen.
Eenmaal
bezig met het ontwikkelen van die woordenschat – hetgeen geen individuele
bezigheid is maar een groepsgebeuren – is het vormen van zinnen, het volgen van
regels daarbij en andere verfijningen een onvermijdelijk bijverschijnsel.
Voor
onze taalkundigen echter is het wezenlijke van ons bijzondere taalvermogen
gelegen in het kunnen rangschikken van onze woorden – en daarmee onze gedachten
– door middel van grammatica en syntaxis.
Taalonderzoeker
Noam Chomsky bedacht dat mensen geboren worden met een Universele
Generatieve Grammatica (1957), een aangeboren taalvaardigheid waardoor
kinderen in staat zijn spelenderwijs de taal van hun omgeving op te pikken en
uit te bouwen. Dat was een heel wat juistere opvatting dan de tot dan toe
heersende behavioristische opvatting dat kinderen taal leren van hun
omgeving door straffen/belonen. Dat om te beginnen. Verder wat hij de eerste
die het ontstaan van de taal weer op de wetenschappelijke agenda plaatste, waar
dat onderwerp in 1866 voor taboe was verklaard, waardoor aartsvader Darwin en
zijn nazaten er zich ook verre van gehouden hadden. Chomsky had zich afgevraagd
hoe het mogelijk was dat kinderen zoiets ingewikkelds als taal zich met even
groot gemak leken eigen te maken als pianospelen of fietsen. Ze moesten er een
aangeboren ‘taalorgaan’ voor in hun hersentjes hebben. Door neurologen werd dat
lacherig afgedaan: niks van te vinden, hoor, in onze hersenen! Nee, oké, maar
wel hersengebieden als het centrum van Broca en van Wernicke,
toch? dus zo dom was Chomsky’s ‘taalorgaan’ toch niet, voor een
niet-neuroloog?
Chomsky
kwam tot zijn inzicht door het bestuderen van de taalregels van het Amerikaanse
Engels. Dus niet door het nalopen van hoe mensen van apen tot mensen zijn
geworden. Dus wat ik als humanosoof wel raar vind van Chomsky, én van de
taalkundigen in zijn voetspoor zoals Steven Pinker, dat ze aan grammatica en
syntaxis zoveel gewicht toekennen en deze eigenschap(pen) zien als de essentie
van ons taalvermogen.
Taal
is voor talige wezens hét ultieme sociale gebeuren, en ‘werkt’ alleen
als je je aan regels houdt. Derhalve zijn grammatica en syntaxis
onvermijdelijke en dus bijkomstige eigenschappen, en maken ze niet het wézen
uit van het talig-zijn van de taalgebruiker. Laat staan dat daarmee de
voor een mensaap opmerkelijke gedragingen als het gaan gebruiken van het vuur
en het ontwikkelen van religie verklaard zouden kunnen worden.
Toen
aanwijzingen zich opstapelden dat sommige dieren ook woorden kunnen maken (zoals
ik hierboven liet zien) en daarbij neiging tot grammaticale ordening vertoonden,
en dat sommigen zoals Washoe zelfs woorden kunnen combineren ([bes]/[pijn]=radijs)
viel er een bouwsteen uit het uniek-menselijke taalbouwwerk weg.
Maar
in 2002 publiceerde Chomsky samen met Marc Hauser en T. Fitch een Science-artikel
met een nieuwe hypothese: recursie[50]
zou het unieke-menselijke aspect van taal zijn.
Ook
daar is commentaar op gekomen: de taal van de Piranha-indianen in het
Amazone-regenwoud kent geen recursie. Ze uiten zich alleen in hoofdzinnen[51].
Ook in sommige andere talen, in Nieuw Guinea en Australië bijv., komt recursie
hooguit sporadisch voor.
De
Leidse taalkundige Arie Verhagen ziet recursie dan ook als een cultureel
product, zoals ook ons getalsysteem: ontstaan in talen die al lang een
geschreven traditie hebben.
Nou
ja. Ik weet niet hoe u er over denkt, maar deze humanosoof vindt het hoogst
opmerkelijk dat de taalkundigen geen oog lijken te hebben voor wat wél wezenlijk
is voor ons uniek-menselijke taalvermogen: het hebben van namen voor de
dingen. We leven in een benoemde wereld, een woordenwereld. Geen
enkele andere soort, hoe communicatief ook, beschikt over namen voor de
dingen en kan het met zijn mededier hebben over wat niet direct
waarneembaar is; of kan overleggen, brainstormen, plannen smeden.
Ik
ga het hier verderop uitgebreid over hebben, waar ik de dramatische gevolgen
van de overstap van het normale dierlijke bewustzijn op het menselijke talige
bewustzijn behandel.
fonemen/cheremen
We
vervolgen het taalbetoog.
Hoe
hebben onze voorouders wél een woordenschat kunnen maken en de chimpansees
niet? Die vraag moeten we eerst beantwoorden.
Wat
de chimps betreft: die zijn altijd regenwoudbewoners gebleven en hebben dus
nooit de behoefte gehad, meer te maken van hun communicatie. Zelfs de
boslandchimps van Adriana Hernandez-Aguilar maken geen soort van aanstalten
hiertoe.
Over
het maken van een woordenschat het volgende.
Hoe
vormen wij onze woorden? Dat doen we met fonemen. Fonemen - bijvoorbeeld de letters van ons alfabet -
zijn de bouwstenen van de taal. Een f betekent niets, evenmin als een o
of een n of een ee of een m. Samen echter betekenen ze foneem,
en je kunt er ook nog andere woorden mee maken, zoals of neem of om
neef of een mof. Met de vijftig of meer geluiden die een mens kan
maken kunnen we honderdduizend of meer woorden maken en een oneindig aantal
zinnen.
Chimpansees
kunnen geen fonemen maken: daar leent, zoals gezegd, hun stemapparaat zich niet voor. Wij vormen onze fonemen namelijk
met – behalve onze lippen - een relatief grote keelholte en een brede
tongwortel en dat mist een chimpansee. Mede daardoor mislukten de pogingen om
een in ’n menselijk gezin mee opgroeiende chimpanseebaby te leren praten.
Pogingen om in eenzelfde situatie jonge chimpansees gebarentaal te leren,
lukten wél. Dat wil zeggen, die verwierven een (gebarentaal)woordenschat van
een paar honderd (gebarentaal)woorden[52],
zeg maar het niveau van een driejarig mensje. Je kunt zeggen: bar weinig. Maar let wel: in één leven. Dat
driejarige mensje wordt geboren met een adequaat hersenprogrammaatje; onze
voorouders hebben er vijf miljoen(!) jaar de tijd voor genomen om dat aan te
maken.
De
belangrijkste ‘handicap’ voor chimps om te leren praten is, naast het gemis aan
adequaat spraakapparaat (vergrote keelholte plus beweeglijke tongwortel) en het
gemis aan een aangeboren ‘taalprogrammaatje’ in hun hersennetwerk, vooral het
feit dat hun stemgeluiden nog geheel door het limbische systeem worden
aangestuurd en ze er dus geen bewuste controle over hebben.
Maar
… die voap’s waren toch apen? Dus ze beschikten niet over het
stemapparaat van de moderne mens om fonemen te maken! Inderdaad. En daar
beschikken doofstomme gebarentaalsprekers nog steeds niet over, en toch staat
hun taal op een even hoog niveau als onze spreektaal.
Want
gebarentaalsprekers beschikken over het gebarentaal-alternatief voor de spreektaal-fonemen:
de cheremen. Dat zijn betekenisloze handconfiguraties, handplaatsingen
en handbewegingen die de ‘bouwstenen’ zijn voor een oneindig aantal
gebarenwoorden.
Er
zijn vijfenvijftig cheremen: negentien handconfiguraties (bijvoorbeeld de
wijzende hand), twaalf handplaatsingen (bijvoorbeeld de wang) en vierentwintig
handbewegingen (bijvoorbeeld op en neer). De wijzende hand betekent één gebaar
wanneer deze bij de wang gehouden wordt, een ander wanneer hij bij het
voorhoofd wordt gehouden en weer een ander wanneer hij bij de kin gehouden
wordt[53].
Het
van niets tot iets laten worden van het taalvermogen waar onze voorouders vier
miljoen jaar voor uitgetrokken hebben, kwam dus vooral neer op het ontwikkelen
van steeds meer cheremen.
Van
niets? Afgaande op het gebarengebruik van de chimpansees in het wild was er,
toen onze voorouders er mee begonnen, al wel degelijk iets. In 1967 al
verscheen het baanbrekend onderzoek van de Nederlandse etholoog Adriaan
Kortlandt The Use of the Hands in Chimpanzees in the Wild. “Het is
nauwelijks mogelijk het belang van de hand in het sociale leven van de
chimpansees te overschatten”, schrijft hij. “Chimpansees gebaren om om voedsel
te smeken, geruststelling te zoeken en aanmoediging te geven”. Hij beschrijft
bovendien dat deze gebaren variëren naargelang het woongebied: ze hebben
allemaal hun eigen ‘dialect’!
Kortlandts bevindingen gaven voor het echtpaar Gardner de doorslag om
met hun experiment te beginnen en zo kwam Washoe in het leven van Roger Fouts,
waarvan ze op dit ogenblik nog steeds deel uitmaakt.[54]
Toen
Jane Goodall een bezoek bracht aan het Nim-project van Terrace en Petitto en de
zogenaamde gebaren van Nim had waargenomen, zei ze dat deze gebaren haar heel
bekend voorkwamen van haar chimpansees in het wild! Veel van de handbewegingen
van ASL-gebaren herkende ze van het
natuurlijke gebarenrepertoire van chimps.
Ook
het ontwikkelen van hun gebarentaal door onze vroegste voorouders zou je dus
kunnen zien als een uitbouwen – ‘professionaliseren’ – van een vermogen dat ze al in zich droegen
als mensaap.
Het
ontwikkelen mag dan als ‘professionalisering’ gezien worden. Maar wat er uit
voortvloeide: dat ze er namen voor de dingen mee zijn gaan
vormen, dat was een serendipiteit[55].
Ze ontwikkelden in het verloop der erg lange tijden en heel geleidelijk
steeds meer cheremen in hun communicatie, als een soort smeerolie om de
communicatie soepeler te laten lopen. Die cheremen nu stelden hen in staat tot
het vormen van een onbeperkt aantal gebarenwoorden: tot een woordenschat.
En zo werden ze mensen. Niet bedoeld maar mooi meegenomen. Er zit veel toeval
in het ontstaan van ons menszijn.
de cheremen-doorbraak
Ik denk hierbij aan het begin van het schrift. Zo’n
tienduizend jaar geleden leefden in het Midden Oosten steeds meer mensen in
boerendorpsamenlevingen. Van de opbrengsten van hun velden, hun vee en hun
nijverheid stond elke familie een deel af aan de tempel, ten behoeve van de
jaarlijkse feesten, de ruilhandel met andere dorpen en de noodgevallen. De
tempelbeambten moesten, om ‘uitvreterij’ en scheve ogen te voorkomen, bij
kunnen houden wat welke familie precies had bijgedragen aan de tempel. De notities werden in de klei van de
opslag-urnen gegrift (later werden dat klei-envelopjes met bepaalde ‘fiches’ er
in, met op de buitenkant tekentjes die de inhoud weergaven; en weer later
werden dat de bekende klei-tabletten, die bij honderdduizenden teruggevonden
zijn en, na de ontcijfering van het spijkerschrift, ons een schat aan inzicht
over de oude wereld hebben verschaft). Die eerste notities waren pure
nabootsingen, tekeningetjes. Maar … geen kunstwerkjes, hooguit ‘minimal art’:
de weergave was ontdaan van al het niet strikt noodzakelijke voor de
herkenbaarheid, en dan nog alleen voor de gebruikers. Het werden steeds meer
gestileerde symbolen.
Een bevestiging van deze origine van het schrift
leveren de onlangs in China (Jiahu, een dorp uit de begintijd van de Chinese
landbouw) gevonden 8500 jaar oude schildpadschilden met elf ingekraste tekens
die lijken op de latere Chinese karakters. De tekens vertegenwoordigen
waarschijnlijk symbolen uit waarzeggerij-praktijken, gezien de ‘dragers’
(schildpadschilden) die ook later in die context zijn gebruikt. De onderzoekers
nemen aan dat dergelijke symbolen al eerder gangbaar waren in het economisch
verkeer van de landbouwpopulatie. Zoals de symbolen op de klei-envelopjes in
het Sumerië van ca. 8000 vChr. waarop schulden en rekeningen in de
landbouwgemeenschappen aldaar werden bijgehouden en die aan de kleitabletten en
het spijkerschrift voorafgingen.[56]
Welnu, zo ging het ook met
de gebaren-nabootsingen: niet uitgewerkter dan het voor de goede verstaanster
nodig was. Immers, hoe minder uitgebreid elke gebaar-nabootsing, des te meer
kun je er binnen een communicatiemoment maken en des te effectiever het
communicatiemoment. In zo’n groepje kwebbelende dames wil iedere voap-dame
haar duit in het zakje doen en dan moet je ze snel mogelijk je punt kunnen
maken. Ook nu nog hebben we bij ons spreken de hebbelijkheid om overtollige
woorden of woorddelen weg te laten vallen en de SMS-taal van onze mobieltjes
spreekt boekdelen.
De eerste door
de voap-dames handgebaarde codes waren nog pure nabootsingen van wat bedoeld
werd, zoals ook het Sumerische schrift (oudste van de mensheid) bestond uit
‘pictogrammen’: simpele voorstellingen van het bedoelde. Zo betekende een
eenvoudige tekening van een hoofd gewoon <hoofd> en twee kronkelende lijnen <water>.
Maar weldra ging men deze symbolen combineren om iets moeilijkers (althans in
schrift!) te bedoelen: <drinken>.
De simpele pictogrammen werden steeds schematischer, maar de grootste
verandering in het Sumerische schrift voltrok zich toen bepaalde woordtekens in
toenemende mate een klankwaarde kregen – meestal de eerste klank van het begrip
dat het teken aanvankelijk had gesymboliseerd[57].
‘Fonemen’ dus, maar dan voor het vormen van een geschreven woordenschat. Vanaf
dat moment leende het schrift zich voor vastlegging van elke gewenste
communicatie. Dus betrof de functie van het schrift aanvankelijk alleen het
optekenen van standaardproducten, nu kon voortaan alles worden vastgelegd:
persoonlijke boodschappen, decreten en wetten, onderwijs-inhouden, literaire
werken, orale overlevering, de heldendaden van de opeenvolgende koningen. En daarmee begint de geschiedenis, althans
voor historici.
[Ik besef heus
dat ik hier de gang van zaken wel heel versimpeld heb voorgesteld en ik ben
bang dat dit voor meer passages in mijn tekst geldt. Als je de ontwikkeling van
het schrift diepgaand bestudeert, kom je daar wel achter. Maar dit is geen
wetenschappelijke verhandeling, en voor de context hier voldoet mijn simpele
voorstelling best wel.]
Dienovereenkomstig denk ik dat het ingang vinden
van cheremen de grote doorbraak in de
gebarentalige communicatie van onze vroege voorouders heeft betekend en dat dit
hen tot talige wezens heeft doen worden. Vier miljoen jaar ‘pictogrammen’-gebaren, en
dan, twee miljoen jaar geleden, de cheremen-doorbraak, met als resultaat het durven gaan
gebruiken van het vuur. Of was het andersom: dat het voortaan het
avondenlang kunnen blijven communiceren is geweest dat voor versnelde
verfijning van de gebarencommunicatie heeft gezorgd?
Vier miljoen jaar. Het natuurlijke verloop van alle leven: een uiterst traag begin maar als het eenmaal op gang is, steeds sneller. Het volgde het onzichtbare maar voorwaardelijke proces van steeds complexere atomencombinaties tot er zich een molecule vormde die zichzelf kon reproduceren. Toen het proces dat leidde tot de vorming van een cel. De vorming van meercelligheid. Van plantaardig en dierlijk leven. En pas 900 mjg wordt dit tot met het blote oog waarneembare levensvormen. Bijna drie miljard jaar van ‘grondwerk’. Daar moet je die vier miljoen jaar ‘grondwerk’ voor het menselijk taalvermogen mee vergelijken.
Over mijn voorplaat, met die drie VOAP-meiden en het verschijnen van het eerste woordgebaar, hoeft ook niet al te lacherig gedaan te worden: dat eerste zichzelf reproducerende molecuul is ook nog steeds een biologenbedenksel. Maar ook daarop is een heel evolutietheorie gebouwd waar je moeilijk meer aan kunt twijfelen zonder de grond onder je denkvoeten weg te halen. Waar iets kan, gebeurt het ook, vroeg of laat.
Die vier miljoen jaar waren
hard nodig voor de ontwikkeling van het door Laura-Ann Petitto blootgelegde
vermogen om gebarenstromen en later spraakgeluidstromen in stukjes te ontleden,
te categoriseren en te gaan herkennen en gebruiken als bouwstenen voor
taal. Die bouwstenen zijn de
lettergrepen. Ta-ta-ta,
ma-ma-ma, enzovoort.
Maar hoe maakt de baby ta en ma? Dat heeft Laura-Ann nog
niet uitgelegd. Dat doet de baby met fonemen, en de gebarentalige baby
met cheremen. Het is het ingang
vinden van de cheremen dus, die de onbeperkte woordenschat heeft
gebracht. En het talig worden van onze soort. Het bijzonder worden van
onze soort, en het afscheid nemen van het normale dier-zijn. Het durven gaan
gebruiken van het vuur. Daarover
dadelijk meer.
Het
hier beschreven scenario voor de ontwikkeling van ons taalvermogen, gesteund
door o.m. Fouts, Corballis en Stokoe, gaat
dus uit van gebarentaal en niet van het steeds beter gaan praten. Pas
het meest recente menstype, de anatomisch moderne mens (AMM), waartoe
alle nu levende mensen waar ook ter wereld behoren en die pas 200.000 jg in
Afrika zich uit een aldaar levende slankere erectuspopulatie (die van
´Zwarte Eva”!) is gaan ontwikkelen, beschikt over een ingedaald strottenhoofd
en over een daardoor grotere keelholte, hetgeen erop wijst dat pas dié variant
met spraakklanken is beginnen te praten. Maar … binnen een reeds bestaande en
volledig ontwikkelde taal: nergens ter wereld kun je bij mensen zoiets als een
‘proto-taal’ ontdekken.
Natuurlijk
moeten we als aapmensen onze stem al volop gebruikt hebben, te oordelen naar de
huidige chimpansees en vooral bonobo’s. Van de laatste soort moet hier nog iets
bijzonders verteld worden: hun ‘koorzang’. Het geluid van een troep chimpansees
en dat van een troep bonobo’s verschilt
behoorlijk. Van de chimpansees zijn het hu-hu-geluiden, áls je ze al hoort, en
die kennen ook een lange-afstands-roep zoals de orang oetans: een aanzwellend
geloei. Het geluid van de bonobo’s lijkt meer op een roedel keffende hondjes.
Dat
opvallende verschil is veelzeggend. Het duidt er op dat ‘taal’-uitingen
culturele trekjes zijn, meer niet.
Bonobo’s
raken veel sneller opgewonden door op zich onbelangrijke gebeurtenissen en
leveren daar ‘commentaar’ op door middel van schelle piep- en blafgeluiden.
Maar het opmerkelijke is dat ze hun geroep soms sterk synchroniseren. Dan
‘echoën’ ze elkaar na. Bij agressieve confrontaties wordt dat geëcho
(chimpansees slaan er dan gewoon op los) zelfs een soort beurtzang, waarbij de
kreten elkaar als een pingpongballetje afwisselen. Het schijnt informatie uit
te wisselen over emoties en bedoelingen [58].
Misschien hebben we hier te maken met een bestaand vobo-vermogen dat het
onze voorouders gemakkelijker maakte om gebaren in stukje te ontleden. Zal ik
Petitto eens voorleggen. De kreten variëren ook: soms bedreigend, dan weer
angstig en dan weer verzoenend. De kreten overlappen elkaar niet, het is echt
een reageren op elkaar en een geleidelijk het met elkaar eens worden. Claudia
Jordan[59] spreekt in dit verband van Quieckduelle
(krijsduels), een vocaal uitvechten van een conflict dat chimpansees niet
kennen.
Je
komt dan in de verleiding om te denken: zie je wel, ons taalgebruik is gewoon
een uitbreiding van de vocale communicatie van die bonobo’s waar we immers
zoveel van weg hebben! Maar we zagen al
dat de ‘kretologie’ van de bonobo’s neurologisch wordt aangestuurd door
het limbische systeem [60],
terwijl onze spraak neurologisch wordt aangestuurd door de prefrontale schors,
een totaal ander hersengedeelte, dat ook de verfijnde handmotoriek aanstuurt.
Om van de onmogelijkheid tot het vormen van fonemen met zo’n
apenstemapparaat nog maar te zwijgen.
Verderop zullen we het over het dansen/zingen van ons Scheppingsverhaal gaan krijgen. Dan wordt meteen duidelijk hoe ons aangeboren zangvermogen door het dansen/zingen aan onze gebarentaal gekoppeld werd en zo vanuit het lymbische systeem onder medecontrole van de cortex is gekomen. Darwin had ook al zoiets geopperd: dat onze stemcontrole niet in eerste instantie door het spreken maar door het zingen is geëvolueerd. Gezang, zo zegt hij, verschijnt in de context van emoties: liefde, devotie, haat, trots, nationalisme, droefheid; maar ook in de context van verbale uitdrukking ervan. “In de context van emoties”... dus van het limbische systeem! Darwin was echt een genie. Niets van wat ik hier allemaal te berde kan brengen, was in zijn tijd nog bekend.
Darwin
zag niets in gebarentaal als oorspronkelijke vorm van onze taligheid. Niet
omdat hij onkundig was van de aard ervan[61].
Hij wees op een toentertijd beroemde doofstomme vrouw, Laura Bridgman, die er
met haar gebarentaal duidelijk blijk van gaf dat ze een zeer intelligente dame
was, en concludeerde daar terecht uit dat taal niet gebonden was aan zijn
vocale vorm maar dat er een onderliggend cognitief vermogen moest zijn[62].
Nee,
het was omdat hij zich verre hield van elke speculatie over de oorsprong van
ons taalvermogen. Dat kwam doordat het speculeren vóór zijn tijd erg ‘in’ was
geweest en dat het tot zulke belachelijke theorieën en tot niets leidende
discussies had geleid dat het Taalkundig Genootschap van Parijs in 1866 in
meerderheid van stemmen de maatregel had aangenomen om geen enkele speculatie
hierover meer toe te staan!
Voor
de oorsprong van ons taalvermogen zijn maar twee mogelijkheden: spraak (gezien
als voortzetting van de mensapenkretologie) en gebarentaal. Aangezien het
besluit van 1866 volstrekt onwetenschappelijk was, is het verbazingwekkend dat
elke zich respecterende taalgeleerde er zich tot op de dag van vandaag
angstvallig aan houdt! Dit is alleen te verklaren vanuit het prestige van
Darwin. Terwijl die niet eens een argument aangevoerd heeft voor zijn afwijzen
van gebarentaal als oorsprong van ons taalvermogen. Zijn theorie voor het
ontstaan van mensen was al zo’n waagstuk in een door God geschapen wereld dat
hij die niet aanvechtbaar wilde maken met een ondergeschikt standpunt: het
ontstaan van ons taalvermogen.
Dat de gebarentaal echt onze oorspronkelijke
manier van symbolisch communiceren moet zijn geweest, blijkt behalve uit het
feit dat mensapen geen neocorticale controle hebben over hun stem uit het feit
dat we bij enigszins emotionele communicatie nog steeds moeilijk zonder
gesticulatie kunnen[63];
terwijl die eigenlijk nergens op slaat. Maar we kennen allemaal de beelden van
lui die begeesterd gesticuleren tegen degene met wie ze via hun mobieltje in
gesprek zijn.
het ontstaan van ons talige bewustzijn
Door
de ontwikkeling van gebarentaal zijn we ‘talige’ wezens geworden[64].
Niet van de ene dag op de andere uiteraard. De eerste miljoen jaren zal er nog
niet veel bijzonders aan onze vooroudermensapen te merken zijn geweest, behalve
dat hun vrouwen veelvuldig met hun handen aan het communiceren waren. Op die
manier waren ze ook tegen zichzelf aan het ‘praten’: hun gebarentaal-codes
gingen ook in hun koppen om en beheersten hun denken over de dingen, hun
gedachtenscenario’s.
Maar
het is de veelheid van benoemde dingen geweest, alsmede het verschijnen van de cheremen
in hun gebarentaal, die maakte dat ze tenslotte in een geheel benoemde
wereld zijn komen te leven.
Het
noemen van iets schept een gevoelsmatige afstand tussen de benoemer
en het benoemde. De voap-vrouw greep met haar gebarencode
voor ‘leeuw’ een leeuw die op dat moment in geen velden of wegen te bekennen
was. Het verschafte haar vat op het fenomeen ‘leeuw’. Misschien neem ik
een verkeerd voorbeeld en durfde ze aanvankelijk een angstwekkend dier als een
leeuw nog niet te noemen[65].
Maar hetzelfde gold natuurlijk voor een steen of een bepaalde in dat seizoen
niet verkrijgbare plant: ze greep de afwezige steen of plant met het in
haar leefgroep gebruikelijke gebarenwoord ervoor.
Afstand.
Misschien is dit ook een ‘professionalisering’ voor iets mensapelijks. Het
gooien met van alles naar een roofdier en het op die manier op een afstand
houden, wat chimpansees en bonobo’s doen bedoel ik. Als wij iets niet kunnen
‘vatten’, gooien we er ook met de pet naar of slaan we er een slag naar.
Doordat
ze geleidelijk alle dingen die hun leefwereld uitmaakten, onder
(gebaren)woorden gingen brengen, ontstond er een gevoelsmatige afstand, een
gevoel van onafhankelijkheid, van beheersing van hun wereld.
J.Hughlings Jackson[66]
merkte op: “We speak, not only to tell others what we think, but to tell
ourselves what we think.” Die gebarenwoorden waren, als gezegd, niet alleen
uiterlijke codes, ze waren gekoppeld aan beelden in hun koppen, aan
denkbeelden. Die denkbeelden beheersten ook voor een deel hun denken, hun
bewustzijn. Ze kwamen in een ‘denkbeeldige’ wereld te leven, met bijbehorend
gevoel van afstandelijkheid. Ze konden de dingen objectiveren. Ze werden
talige wezens, met een talig bewustzijn.
Er
moet een moment geweest zijn waarop hun handelingen niet langer voornamelijk
door hun overgeërfde instincten werden aangestuurd, hun keuzen niet langer
uitsluitend door instinct ingegeven werden, maar waarop deze meer en meer het
resultaat werden van hun onderling overleg en van het individuele innerlijke
‘algebra’ met begrippencodes. Immers, de ontwikkeling in deze richting ging
maar door en je kunt geen twee aansturingen van je handelen tegelijk gebruiken,
geen twee kapiteins op het schip van je gedachten. De ontwikkeling naar het
benoemen van steeds meer dingen ging onstuitbaar door en dat ging ten koste van
hun instincten: die moesten ze onderdrukken. Ze waren een hachelijk pad
ingeslagen vanwaar geen weg terug is, toen niet, nu niet en nooit meer.
het vuur
Talig worden is een
geestelijk iets en kan niet aan een fossiele schedel worden afgelezen. Maar hoe
onwaarschijnlijk het ook lijkt, gebarentaal wel! Namelijk door het iets
vergrote hersendeel dat het gebied van Broca genoemd wordt. Deze lichte
vergroting is aan de binnenkant van een schedel waar te nemen, en volgens Ralph
Holloway van de Columbia Universiteit waren deze taalgebiedjes al in de
AP’schedels bespeurbaar[67]!
In elk geval zijn ze duidelijk aanwijsbaar in de schedels van de erectus-mensen
die we dadelijk op ons pad zien verschijnen. Die taalgebiedjes sturen niet
alleen de tong aan maar ook fijne hand- en vingerbewegingen. Dat was Darwin al
opgevallen: dat wanneer we precisiewerk doen met onze vingers, tegelijk ook
onze tong in beweging zetten (bij het pielen van een draad door het oog van een
naald bijvoorbeeld).
Bewijs
voor gebarentaal, zul je dan toegeven, maar nog niet voor het talig
geworden zijn, in de betekenis van onafhankelijk in de natuur zijn komen te
staan.
Ook
daar is echter een hard bewijs van een datering voor beschikbaar: het gaan
gebruiken van het vuur!
Een
normaal dier gaat blindelings voor vuur op de loop. Redde wie zich redden kan!
Leeuwen en antilopen, hazen en vossen, wolven en lammeren, alles neemt de benen
zonder aandacht voor elkaar. Maar er zijn harde bewijzen dat onze voorouders
rond twee miljoen jaar geleden (door mij afgekort tot pm 2mjg) hun instinctieve
reactie hebben weten te overwinnen, en u begrijpt al waardoor.
Natuurlijk
kenden ze de prettige kanten van dat dodelijke gebeuren al veel langer, en zij
niet alleen. Aaseters van allerlei slag worden door een brand aangetrokken
vanwege het heerlijke aas dat er te vinden valt wanneer de brand over is, en
herten komen likken aan de zoutige as. En de voap’s waren ook aaseters.
Jazeker, aaseters. Dus even een zijwegje.
Onze voorouders
luisterden naar het gebrul van de leeuwen in de nacht. Als de leeuwen op een
bepaalde manier brulden, dan wisten onze voorouders dat ze er de volgende
ochtend op af konden gaan om dankbaar het hoofd te buigen en vervolgens de
resten vlees die de leeuwen van hun slachtpartij hadden overgelaten mee te
nemen.
Als wilde dieren een
mens doodmaken dan accepteren we dat en zeggen tegen onszelf: niets aan te
doen, het is nu eenmaal ons dier. Het heeft een glanzende huid omdat het een
ander dier heeft opgegeten. Ik ben ook gezond omdat ik een ander dier heb
opgegeten.
(Baba
Mhlanga in Hoeders van de aarde.)
Als
vobo’s hadden ze al vlees op het menu, hoewel bonobo’s wat minder
fanatieke jagers zijn dan de chimpansees. Bonobo’s spelen vooral met een door
hen gevangen aapje, in plaats van het op te eten. Overigens legt het daarbij
evengoed het loodje, want ook bonobo’s zijn oersterk en dus te ruw voor die tere
beestjes.
Maar
op de savanne zijn de prooidieren geselecteerd op de snelle vlucht, en ook hun
roofdieren zijn op snelheid berekend. Dat waren de voap’s bepaald niet.
Ze hadden hun voorouderlijke vierbenige snelheid ingeruild voor de voordelen
die de tweebenigheid biedt, maar daarin waren ze vooral aanvankelijk nog geen
virtuozen en nog steeds haalt een viervoetige chimpansee ons nog met gemak in.
Tenminste in de sprint, niet in een lange afstandsloop.
Savannebavianen
zijn ook van boomapen tot savannebewoners moeten worden; die hebben geen
tweebenigheid ontwikkeld, in tegendeel, dat zijn echte viervoeters geworden, ze
draven als honden. Met behoorlijke snelheid. Echter niet genoeg om een antilope
bij te kunnen houden, maar daarvoor hebben ze een estafette-jachttechniek
ontwikkeld. Eén drijft zo’n van de troep afgeweken antilopenjong in de richting
van een in het gras ineengedoken medejager, en die doet hetzelfde naar een
volgende, tot het antiloopje van uitputting moet blijven staan[68].
Weinig
kans dat die trage voap’s zoiets hebben kunnen praktiseren. Dat waren
aaseters en dat zijn hun erectus- en volgende nakomelingen nog
grotendeels gebleven, zoals laatstgenoemd citaat laat zien. Aas is gewoon
vlees, alleen van een prooi die je niet zelf hebt gevangen. Zelfs de huidige
jagers zijn gelegenheids-aaseters zoals het citaat hierboven laat zien, en de
trotse leeuwen zijn ook liever lui dan moe, die pakken bij voorkeur de prooi
van de hyena’s af. Hyena’s, dat zijn de echte jagers! Daarom hebben die zo de
schurft aan leeuwen.
Maar
we hadden het over het vuur, en dat de voap-vrouwen al lang de
prettige eigenschappen ervan hadden ontdekt. Het geroosterde vlees is behalve
lekkerder en voedzamer ook langer houdbaar. Planten die je rauw niet kunt eten,
zoals aardappelen, worden eetbaar door ze te koken. Het kon niet uitblijven dat
… er hoeft er maar weer één geweest te zijn, één oude vrouw die vanwege haar taligheid
de instinctieve angst voor het vuur een beetje was kwijtgeraakt (ze hadden er
een naam voor, een begrip, ze konden het vatten!) en die,
al haar moed bijeenrapend en bevend, een nog nasmeulende tal beetpakte en
meesleepte naar een gedoofde plek en de tak met dor spul voedde en brandend
hield[69].
Het
kunnen koken en braden van voedsel betekent een forse uitbreiding van het menu.
Vlees drogen, in stukken gesneden en aan een pees of touw geregen in de zon
tussen twee paaltjes, kenden ze al lang, maar met een vuurtje er onder gaat het
sneller en beter, met langere houdbaarheid. Veel planten en knolgewassen zijn alleen
gekookt eetbaar en verrijkten nu de dagelijkse pot. Een gat in de grond, stenen
er in en daar een vuur in gestookt tot de stenen gloeien; dan vlees en groenten
en in, afdekken met een huid met aarde er overheen en wachten tot alles
gestoofd is, die kooktechniek heeft zeker niet lang op zich laten wachten. Laat
dat maar aan de vrouwen over. En laat het maar aan de mannen over om ontdekt te
hebben dat je met de huid waarin je je stenen meedraagt, je een steen veel
verder kunt wegslingeren als je hem erin weg zwiept en op tijd één uiteinde
loslaat. Het is allemaal speculatie, maar ik durf er de rand van mijn hoed voor
op te eten dat de voap’s al lang slingers gebruikten – makkelijk praten
als je niet eens een hoed hebt.
Ik
had fundamentele kritiek op Richard Wrangham met zijn Demonic Males (1996) waarin
hij een link legde tussen de gewelddadigheid van mensen en die van de
chimpansees zonder de omstandigheid (overpopulatie) te benadrukken waaronder de
chimpansees vanaf 2,5 mjg gewelddadig werden en de mensen vanaf hooguit 8000
jaar. Maar met zijn Catching Fire: How Cooking Made Us Human (2009)
heeft hij weer helemaal mijn hart gestolen. Daarin legt hij uit dat door het
kunnen koken en braden van plantaardig en dierlijk voedsel onze voorouders
minder heftig en lang hoefden te kauwen, hun voedsel voedingsrijker werd en
langer houdbaar, én hun menu uitgebreider doordat rauw oneetbare knollen door
het koken eetbaar werden. Dus een enorme vooruitgang.
Het
vuur hebben ze vooral gebruikt om de roofdieren op een afstand te
houden, kuddes prooidieren in de richting van hun valkuil te drijven, vlees te
drogen en bepaalde planten te koken, voor van alles maar niet voor het braden
van biefstuk of speklap. Bovendien vormde vlees een felbegeerd maar incidenteel
onderdeel van het menu.
Waar blijven nou de harde
bewijzen? Komen ze. Een rijker en voedzamer menu betekent een groei van de
gestalten, van generatie op generatie. En dat zien we aan de gevonden
fossielen: steenharde bewijzen dus. Eén belangrijke fossiel gevonden gestalte
is die van Nariokotome boy. Een jongen van een jaar of twaalf,
waarschijnlijk door een overstroomde beek meegesleurd en verdronken en op een
plek terechtgekomen en snel bedolven zodat zijn lijk niet door aaseters
vernield is kunnen worden. Vrijwel gaaf is zijn skelet in 1984 in Koobi Fora gevonden door de Keniase
paleontoloog Kimoya Kimeu[70].
Als volwassene zou hij lang en slank geworden zijn, wel 1.7 m lang. Terwijl de
AP’s altijd de vobo-afmetingen behouden hadden. Dat valt maar op één
manier te verklaren, toch? ……… Nog niet
hard genoeg, dat bewijs?
Dan nu dat van de paleo’s
Randy Bellomo, Ralph Rowlett en anderen. Die hebben een speciale studie gemaakt
van wat een lang aangehouden kampvuur doet met de onderliggende bodem (in
tegenstelling met wat een natuurlijke brand doet), namelijk een schaalvormige,
geoxideerde en gemagnetiseerde laag grond achterlaten. In Koobi Fora, bij
diezelfde HE-site, waren in de jaren ‘80 van die ‘vuurschalen’ gevonden en net
als Nariokotome boy gedateerd op 1.6 mjg[71].
Enigen hunner hadden toen al geopperd dat dit ‘fossiele’ resten van kampvuren
waren, maar voor de leider van het team, de gezaghebbende paleo Alan Walker,
was dit uitgesloten. Die had namelijk een bijzonder lage dunk van onze vroege
voorouders. Van Nariokotome boy schrijft hij, in het samen met zijn
vrouw, de paleo Pat Shipman[72],
geschreven boek The Wisdom of the Bones (1997): “In zijn ogen zie ik
niet de afwachtende blik van een mens die een vreemdeling ontmoet, maar de
dodelijk onwetende blik die ik gezien heb in de starende ogen van een
leeuw”. Walker ziet in de HE dus geen
mens maar een roofdier. Betekent dus dat Walker nog nooit een chimpansee of
gorilla aangekeken heeft, of zo’n mensapenblik op een foto heeft bestudeerd.
Het blikveld van een wetenschapper reikt soms echt niet verder dan zijn
vakgebiedje. Evengoed worden zulke autoriteiten (op hun vakgebied) ook in zulke
bar-en-boze uitspraken serieus genomen door andere vakidioten! Maar niet door
een etholoog als Frans de Waal.
“Veel primatologen hebben verklaard dat hun houding ten opzichte van mensapen volledig veranderde nadat zij voor het eerst oog in oog hadden gestaan met een mensaap. Ze zijn nooit vergeten hoe er, ondanks de barrière tussen de soorten een gevoel van medemenselijkheid oversprong.” (Bonobo)
Dus wanneer Walker een AP,
van welke soort dan ook, zou zijn tegengekomen, zou hij in haar/zijn ogen echt
geen “dodelijke onwetendheid” hebben ontwaard. Laat staan dus in de ogen van
een voorouder als Homo erectus, die professionele vuistbijlen[73]
maakte, eilanden koloniseerde[74]
en vuur gebruikte.
Opmerkelijk is dat Alan
Walker in 1982 (samen met Zimmerman en Leakey) een artikel in Nature
publiceerde waarin hij aan de hand van een HE-bot dat sporen van vitamine
A-vergiftiging vertoont, concludeerde dat de HE’s menselijk mededogen en
zorgzaamheid aan de dag gelegd moeten hebben. Misschien dat hij daar kritiek op
heeft gekregen? dat hij de HE’s een te menselijk gedrag toedichtte? wie weet.
Kada Gona
De oudst gevonden stenen werktuigen tot nu toe zijn
van de Kada Gona site in Ethiopië. Ze dateren van 2.6 mjg. De paleo onder wiens
leiding de opgraving plaatsvindt, Dr. Semaw, vertelt dat die plek indertijd aan
een rivieroever lag, met steenmateriaal in overvloed, en schaduwrijke en
veilige overnachting biedende bomen in de nabijheid.
afb bij zijn
publicatie in Journal of Archaeological Science 2000-7
De messcherpe afslagen
dienden volgens hem om karkassen te slachten en graafstokken aan te scherpen
waarmee de vrouwen voedzame en waterrijke knollen konden opgraven.
Geen hominide-fossielen bij
de perfect gemaakte Oldowan-werktuigen op de Kada Gona sites van 2.6 mjg (vind
ik dus niet meer dan normaal). Als de makers ervan wordt door de onderzoekers Ap.
garhi [75] genoemd,
vermoedelijk een afstammeling van ap africanus.
Homo habilis lijkt zijn eervolle plaats te moeten afstaan aan ap
garhi , en niet langer beschouwd te worden als de maker van de
Oldowan-werktuigen (de ‘industrie’ waartoe ook de werktuigen van Gona gerekend
worden) die Louis Leakey in 1962 in de Olduvaikloof had gevonden. Men wijst op
het primitieve (aapachtige) van H. habilis : lange armen en korte benen,
dus nog erg aangewezen op de bomen voor veilige overnachting en de twijfel werd
versterkt toen er in 1975 een onderkaak met tanden was gevonden die veel
menselijker eigenschappen had dan die van habilis.
Ik heb nog een ander
argument. Bij de Gona-werktuigen vind je geen fossielen van de makers ervan.
Natuurlijk niet: die werktuigen dienden om hun prooidieren te slachten en ander
voedsel te bereiden. Daar ging je toch je eigen mensen niet slachten en
opeten? Hoogst onwaarschijnlijk dus dat
de hominide-fossielen die bij die werktuigen in de Olduvaikloof gevonden waren
door de Leakeys, van de makers ervan zouden zijn[76]
– waar Louis Leakey toen voetstoots van uit ging. Waarschijnlijker is dat ze van de maaltijdrest van de makers
ervan zijn! H. habilis prooidier van onze voorouders. Maar hoe
heten die? Ap garhi?
2.6 mjg oud zijn deze stenen
werktuigen. Denk je eens in! Dus van nog gewone aapmensen. De eerste bekende
mensachtige populatie is die van Turkana Boy, en dat is een volle miljoen (!)
jaar later. En die werd door Alan Walker nog elke vorm van menselijkheid
ontzegd.[77]
Silashi Semaw, de aan de
Rutgers Univ. opgeleide Ethiopiër die de leiding heeft in Kada Gona, werpt[78]de
belangrijke vraag op: is aan deze steenbewerkings-techniek een gedurende
miljoenen jaren toenemende vaardigheid voorafgegaan of is het een ‘plotseling’
verschijnen ervan rond 2.6 mjg? Tot nu toe zijn er geen voorstadia voor
aangetroffen. Niemand twijfelt er echter aan[79]
of de door garhi aan de dag gelegde vaardigheid veronderstelt een al
heel veel oudere werktuigvervaardiging.
Maar de werktuigen van
primitievere makelij dan de afgebeelde hebben zoveel weg van een toevallig-kapotte
kei dat die niet gemakkelijk als werktuig kunnen worden aangezien. Om maar niet
te spreken van alternatieve werktuigen van vergankelijk materiaal als hout of
bot.
de grote sprong voorwaarts als gevolg van de vuurbeheersing
Wanneer zal ik
het terloopse ‘cultuurtje’ van namen voor de dingen (het met elkaar over
iets kunnen hebben) laten beginnen? Wanneer zal ik dat terloopse grapje
van dat ene meisje in die ene groep: het met haar handen na-apen waar ze op dat
moment vol van was, en dat van zo vér strekkende invloed zou worden op het
verdere verloop van de dingen in de wereld, laten plaats vinden?
Daarvoor wijs
ik even terug op die ‘mijlpaal’ van de oudste door de mens vervaardigde
werktuigen, gevonden in Kada Gona. Gedateerd op 2.6 mjg. Vervaardigd met een
technologie waarvan het ondenkbaar is dat die zonder talige communicatie tot
stand gekomen zou kunnen zijn. Daar moeten nogal wat generaties van talig
communicerende vobo’s aan vooraf zijn gegaan. Dus gok ik voorlopig op de
datering van 3 mjg.
Maar misschien
moeten we voor het ‘meisjesspelletje’, voor de geboorte van de
proto-gebarentaal, nog verder terug. De proto-gebarentaal begon bij het
nulpunt, en de meeste dingen in de natuur komen uiterst traag op gang, vertonen
de bekende ‘exponentiële groei’- curve: een heel lange aanloop en dan woeps! de
hoogte in.
Het is zeker
dat de taligheid door het gaan beheersen van het vuur een forse sprong
voorwaarts heeft gemaakt. Ga maar na.
Vóór dat de
vobo’s over kampvuren beschikten, was hun communicatie beperkt tot het
voedselverzamelen overdag en het verdelen van het voedsel na aankomst in het
overnachtingsbos. Maar tegen het vallen van de schemering, die in de tropen
maar heel kort duurt, was het afgelopen met de communicatie. Dan moest ieder de
boom in om, ieder voor zich, zijn slaapplatform in elkaar te vlechten boven in
de kruin. De vrouwen en kinderen bovenin, de volwassen mannen met hun zak
stenen een etage lager, omdat de voorouders van de luipaarden hen ook ’s nachts
konden besluipen.
Hoe anders
werd deze situatie toen ze voortaan op de grond konden blijven overnachten,
rond het kampvuur dat de roofdieren op afstand hield. Uren en uren werden aan
elke dag toegevoegd, en alleen voor het communiceren: in het donker kun je
weinig anders doen.
Wát zouden ze gecommuniceerd hebben?
Natuurlijk wat er in ze om ging. Bijvoorbeeld iets beangstigends wat ze die dag
beleefd hadden.
De plotselinge
confrontatie met een buffelstier! De mannen hadden snel een ‘muurtje’ gevormd,
hun stenen in de aanslag, en de vrouwen waren naar een boom gevlucht en klommen
er met de kinderen in. De buffel had geaarzeld: die vobo’s met hun stenen waren
inmiddels berucht. Na enige ijzige seconden had de buffel zich omgedraaid en
was weggelopen. Die avond bij het kampvuur was een der vrouwen opgestaan en
imiteerde de dreigende buffel. Luid krijsend vielen de vrouwen haar bij. Een
man stond op en deed of hij de buffel was. De andere mannen boden hun
vastberaden weerstand en de ‘buffel’ week. Als eindelijk iedereen weer zat en
de kreten verstomd waren, bleven de gevoelens en beelden nog doorspoken in hun
hoofden en sprong een andere man op en deed de buffel opnieuw, en weer werd hij
door de andere mannen verjaagd. Herhaling op herhaling, tot de een na de ander
zich in zijn dierenvel draaide en ging slapen. Maar hun oren waakten: bij het
geringste geritsel was iedereen weer klaarwakken en paraat[80].
De prachtige performance werd
nog vele avonden met veel emoties opgevoerd. Tot hij plaats maakte voor een
nieuwe emotionele belevenis.
Generatie op
generatie werden zo de avonden gevuld met steeds verfijndere voorstellingen
waarin emotionele gebeurtenissen werden verwerkt. De imitaties ondergingen een
standaardisatieproces, ik bedoel: bepaalde gebaren kregen een vaste betekenis.
Een goede verstaander heeft maar een half gebaar nodig. Je krijgt in een groep
babbelende vrouwen maar weinig kans om ook je duit in het zakje te doen, en dan
probeer je in je communicatiemoment met zo weinig mogelijk gebaren zoveel
mogelijk te zeggen. Je maakt een gebaar dan niet helemaal af wanneer de aanzet
ervan al begrepen wordt binnen de context. Vooral veel voorkomende uitingen
worden gekortwiekt: worden standaardgebaren. Dat dit proces snel kan gaan, zie
je vandaag ff gebeuren met de sms-taal: in een paar jaar tijd ontstaan.
Na het uiterst
trage begin van de proto-gebarentaal, bestaande uit zelfstandige naamwoorden en
werkwoorden en een paar bijwoorden zoals [ver weg] en [dicht bij], ontwikkelde rond het kampvuur elke avond de talige
communicatie van de vobo’s zich nu zeer snel tot echte gebarentaal, met
verbindingswoordjes tussen zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden. Ze
konden al gauw hele zinnen vormen. En onvermijdelijk is dan dat daarin
onderwerp en gezegde en lijdend voorwerp en bepalingen hun vaste plaats
krijgen: grammatica! De taalkundigen beschouwen grammatica als
hét waarmerk van menselijke taal. Maar hoe zouden de vobo’s hun talige
communicatie hebben kunnen ontwikkelen met vermijding van een vaste
woordvolgorde in hun zinnen? O zeker, de vobo-communicatie zal erg primitief
geweest zijn, wat wil je. Maar grammatica maakte er al heel vroeg deel
van uit: het is een niet te vermijden bijverschijnsel van taalgebruik.
Waarom dansend/zingend?
Wel: als gebarentaligen communiceerden ze, vooral aanvankelijk, nog met hun
hele lichaam. De dieren en planten en handelingen werden, behalve met de
handen, met het hele lichaam en gelaatsmimiek geïmiteerd, weergegeven, tot
uitdrukking gebracht. De aanvankelijke proto-taal: losse ‘zelfstandige
naamwoorden’ en ‘werkwoorden’, moet na vier miljoen jaar toch al heel wat
‘bijwoorden’ en ‘bijvoeglijke naamwoorden’ hebben gekregen, al was er misschien
nog geen sprake van echte zinnen. Maar zeker heel veel herhalingen, eindeloze
herhalingen, door iedereen herhaalde herhalingen. Want dat zie je bij
primitieve verzamelaars/jagers als de !Kung nog steeds: veelvuldige herhalingen als bevestiging.
[Het feit dat wij ‘dansende
apen’ zijn geworden is een argument te meer vóór de gebarentaalhypothese.]
Sommige ouderen waren, denk
ik, ook gewoon stilletjes bezig, met het schoonschrapen van vellen[81].
Of er op te kauwen met die enorme kaken van ze. Lekker omdat er altijd nog wat
organisch spul achterbleef, maar ook gewoon functioneel: het vel werd er soepel
van. Dierenvellen waren hun enige ‘rijkdom’.
Ik beweer dus dat de vellen
vanaf het allereerste begin een hoofdrol hebben vervuld in onze menswording. In
de loop van de voorafgaande vier miljoen (!) jaar waren ze natuurlijk steeds bedrevener geworden in het
maken van de benodigde steenscherven. Het is vooral het bewerken van de vellen
geweest dat de ontwikkeling van hun werktuigtechniek het meest in de hand
gewerkt heeft.
Het
eerste vuurgebruik dicht ik de makers van de Kada Gona-werktuigen toe.
De
voap-stam die deze werktuigen maakte, AP garhi wellicht, zou
weldra als H. habilis of H. rudolfensis zich ook buiten de tropen gaan
verbreiden. Ze heeft vermoedelijk ook de overige AP-populaties uitgeroeid waar ze er maar op stuitten[82].
En
niet doordat ze grotere hersenen kregen. Grotere hersenen betekenen niet
automatisch meer intelligentie of meer menselijkheid. Recente fossiele
schedelvondsten van vroege mensen, zoals Dmanisie in Georgië en de Liang
Bua-grot op Flores, laten schedels zien die minder of nauwelijks meer dan het
mensapenvolume hebben, maar toch in een context van bekwaam gemaakte stenen
werktuigen. Anderzijds kunnen mensen
met hersenen van normale grootte en vorm uitzichtloos geestelijk gehandicapt
zijn.
De
ontwikkeling van de hersenen volgen het doen en laten, niet andersom.[83]
Hersenen
zijn wel enorme energievreters, en de veel rijkere voeding die de beheersing
van het vuur[84]
verschafte, heeft onze voorouders niet alleen van gestalte flink doen groeien
maar heeft ook hun hersenen van veel meer energie voorzien. Het vuurgebruik
echter, hun groeiende macht over de wereld van hun prooidieren en de roofdieren
– en niet de groei van hun brein - heeft hen in staat gesteld om als homo
erectus de tropen te verlaten en te verruilen voor gezondere en wildrijkere
streken, vol nieuwe uitdagingen voor hun groepsvindingrijkheid en hun talige
bewustzijn.
de
tobbende aap
De almaar groeiende
afstandelijkheid door de namen voor de dingen heeft de vobo’s uit hun
normale en onbekommerde dierlijke bestaan verdreven.
Ook voor onze mededieren is
de natuur wreed en kent ze geen mededogen. Het is eten en gegeten worden. Het
is groot en sterk worden om vervolgens af te takelen. Tijden van overvloed
wissen af met hongersnood. Maar onze mededieren ondergaan dit zoals wij
doorgaans de jaargetijden beleven: zonder erover te tobben. Ze blijven eten
zoeken tot ze er bij neervallen of door een roofdier gepakt worden, maar ze
tobben niet en hun roofdieren doen dat evenmin.
Doordat de vobo’s hun wereld
onder namen gingen brengen, kregen ze een talig bewustzijn. Dat
is een ‘bordkartonnen zolder’ bovenop hun normale groepsdierlijke
zelfbewustzijn, waarop ze voortaan en in groeiende mate gevoelsmatig meenden te
leven. Binnen dat bewustzijn ‘weet’ je dat leuke maar ook kwalijke dingen die
in het verleden gebeurd zijn, weer kunnen gebeuren. Bij normale dieren zijn die
dingen in hun geheugen gekoppeld aan bepaalde tekenen; bij afwezigheid van die
gewaarwordingen denken ze niet aan die dingen. Mensen kunnen ze naar believen
voor hun geest halen, of lijden onder de dwanggedachten er aan. We hebben namen
voor de dingen, en zoals J. Huglins Jackson[85] al rond 1900 zei:
We speak, not only to tell others what we think, but to tell
ourselves what we think.” We zijn
‘tobbende apen’ geworden.
Normale dieren kennen doorgaans
geen onzekerheid. Wanneer de dingen gaan volgens de ordening waarop hun
instinct is afgesteld, kennen ze geen twijfel. De echte ezel tussen twee
hooibergen twijfelt niet maar begint meteen te eten. Maar onze voorouders zijn
hun instinctmatig handelen steeds meer ondergeschikt gaan maken aan het
overleggen met elkaar. Of met zichzelf: reflectie heet dat. Het jezelf
kunnen verplaatsen in een ander. Hogere groepsdieren zoals mensapen kennen dat
ook al wel een beetje[86],
reflectie. Onze voorouders zijn dat enorm gaan uitbouwen, met hun namen
voor de dingen.
Hun
instinctzekerheid verloren ze hierdoor meer en meer. Hun handelen werd steeds
meer het resultaat van onderling overleg en steeds minder instinctmatig
ingegeven. Het instinctieve gedrag werd meer en meer weggedrukt, je kunt geen twee kapiteins hebben op het
schip van je handelen. Maar dat eiste wel zijn tol.
De
overstap op gaan benoemen, het begrijpen van de
dingen was een hachelijk gebeuren voor de dieren die onze voorouders werden.
Het
begon namelijk met niets. Hun begrijpen van de
dingen schoot vooral aanvankelijk schromelijk tekort. Ze begrepen de dingen
niet of maar half.
Alles wat je niet kunt begrijpen, beangstigt je. Angst en twijfel
werken verlammend, daar kun je niet mee leven. Onze voorouders zijn het verlies
aan instinctzekerheid dan ook van stond af aan gaan compenseren met twee
zekerheidsverschaffende mechanismen: herhalingen
en geloven.
- Herhalingen: Het elke dag opnieuw bevestigen van hun
woordenwereld door deze elke avond rond het kampvuur te dansen/zingen in het
scheppingsverhaal ervan. De repeterende bewegingen en geluiden daarbij, het
ritme, gaandeweg versterkt met trommelen op geluidmakende dingen.
Maar vooral ook: de dingen doen zoals ze altijd al gedaan werden,
dus tradities, gewoonten, gebruiken. De paleo’s verbazen zich over het
inderdaad opmerkelijke feit dat de HE’s zeker anderhalf miljoen (!) jaar lang
hetzelfde type vuistbijl hebben gemaakt. De verklaring is simpel. Tradities
geven een gevoel van zekerheid, broodnodig, zeker zo kort na het verlies van
hun dierlijke instinctzekerheid. Maar ook vandaag nog kunnen we primitieven of
oude boerenmensen nog betrappen dat ze de opmerking van iemand een paar keer
ter bevestiging herhalen. Het handjeklap van de veeboeren is ook zoiets. Voor
onze kleuters kunnen bepaalde spelletjes niet vaak genoeg herhaald worden; het
stopt pas als opa ‘de handdoek in de ring gooit’.
Herhaalde bewegingen met het lichaam, zoals bij het lopen door het
clangebied, maken rustgevende endorfines vrij[87];
daarom zijn we dol op ritmes en dansen.
- Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag zou willen dat ze zijn of
zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Geloof in magie, in magische
(invloedrijke) handelingen en rituelen. Geloven dat de dingen-buiten-je net zo
zijn als je zelf bent (antropomorfisme[88])
en dat je zelf net zo bent als de overige levende wezens (totemisme); dat de
dingen denken, net als wij, dus een geest hebben (animisme). We kunnen onszelf
werkelijk van alles wijs maken, of láten maken. Niets mis mee overigens, zo
lang er maar geen misbruik wordt gemaakt van onze lichtgelovigheid. Maar later
zijn we in situaties terechtgekomen dat de ene mens macht kon uitoefenen
over de ander, en omdat macht altijd en iedereen corrumpeert, lag dit
misbruik voor het grijpen.
Het
verlies van de dierlijke instinctzekerheid heeft onze voorouders tot een
hardnekkig conservatisme gebracht. Meer dan een miljoen (!) jaar hetzelfde
ontwerp vuistbijl! De archeologen komen er niet over uitverbaasd. Waarom toch deze fobie voor verandering?
In
de eerste plaats: ze waren van oorsprong normale dieren, en die veranderen ook
pas wanneer hun omgeving verandert – of ze sterven uit. Veranderen is
ondierlijk.
De
vraag moet dus niet zijn waarom onze voorouders zo lang oerconservatief[89]
waren maar waarom we dat nu niet meer zijn.
Onze
voorouders zijn door het gaan benoemen van de dingen in een denkbeeldenwereld,
een woordenwereld, komen te leven
en kwamen daardoor heel anders in het leven te staan dan ze als normale dieren
altijd gestaan hadden. Het denkbeeld dat de dingen er alleen maar zijn omdat
wij denken dat ze er zijn, of de vraag of er ook dingen buiten onze benoemde
werkelijkheid bestaan heeft filosofen al vanaf Plato geboeid.
“Door
een bewuste voorstelling van de wereld te maken, plaatsen we de wereld
tegenover onszelf en daarmee onszelf tegenover de wereld. Deze bijzondere
eigenschap, voor zover we weten zelfs een unicum in de geschiedenis van het
heelal, heeft vele filosofen , wetenschappers en kunstenaars bezig gehouden.”
Zo begint André Klukhuhn zijn boek Sterf oude wereld. (Amst. 1995), en
behandelt vervolgens een lange reeks schrijvers en denkers die geworsteld
hebben met het gevoel dat je, hoe je jezelf ook observeert, je toch nooit in
jezelf kunt binnendringen[90]:
Marcel Proust, Robert Musil, de wijsgeren Oldewelt, Schopenhauer, Berson en
natuurlijk Heidegger. Een door hem aangehaald citaat van Oldewelt maakt deze
navelstaarderij misschien duidelijk:
Ik héb een bewustzijn, héb een karakter, héb een
onderbewuste en ik weet bij voorbaat, dat wát ik ook in mezelf moge ontdekken, dit opnieuw het mijne zal zijn, maar
niet ik-zelf.
(H. Oldewelt De plaats van de
mens in de totaliteit van het leven. Kruseman, 1962)
Ik vind dat ik in het begin van mijn verhaal opgehelderd heb hoe het gekomen is dat “we de wereld tegenover onszelf en daarmee onszelf tegenover de wereld” hebben geplaatst: door het terloops ontstane en toevallige ‘cultuurtje’ in die ene voap-groep. Namen voor de dingen! Dat heeft geen enkele andere soort. Namen voor de dingen, dat dóet iets met een dier. Het schept afstand tussen de noemer en het benoemde. Onze voorouders kwamen steeds meer los te staan, gevoelsmatig dan, van hun omgeving doordat ze die onder woorden gingen brengen. Ze gingen de dingen van hun omgeving als objecten zien, als losstaand van het zelf. Ze gingen hun omgeving objectiveren. Nieuw fenomeen in de natuur: subject versus object.
Er kwam ‘licht’ tussen de benoemde aap en zijn leefomgeving, hij kwam er een beetje ‘los’ van.
De afstand die het benoemen schept, tast ook de dingen voor ons gevoel aan. Bij veel nog in stamverband levende mensen mag je iemand niet zomaar bij z’n naam noemen, De Joden mochten hun God ook niet bij Zijn naam noemen. Geliefden bezigen ook vaak ‘koosnamen’ en gebruiken iemands echte naam pas als ze er boos op zijn. En wat Jane Goodall op p.18 over het schitterend mooie insect zei, maakte het ook duidelijk.
Het
had ook gevolg ook voor ons levensgevoel. De overstap op talig bewustzijn heeft ons bepaald niet
gelukkiger gemaakt dan we als gewone dieren waren.
Hoewel
... dieren zijn niet gelukkig of ongelukkig, ze zijn eenvoudigweg. Natuurlijk, ze kunnen zich prettig voelen,
wanneer hun organisme optimaal werkt. Jonge dieren vooral kunnen duidelijk
plezier vertonen in het rennen en andere kunsten vertonen waartoe hun organisme
sinds kort in staat is; denk aan kalveren of veulens en aan het vee als het in
‘t voorjaar weer de wei in mag. Of denk aan een kindje dat pas kan lopen en
ineens beseft dat het dat kan. Chimpansees kunnen lol maken, en ze kunnen in
een diepe depressie raken, bijvoorbeeld wanneer ze een baby verliezen, of in
eenzame opsluiting geraken in een aidsonderzoekslaboratorium. Ze kunnen
wegkwijnen en zelfs doodgaan, maar ze zijn er zich niet van bewust. Dieren
leven onbekommerd; zelfs wanneer ze niet te eten hebben, tobben ze niet maar
blijven zoeken tot ze er bij neervallen.[91]
Alleen
wij mensen leven in een wereld van denkbeelden die ons (on-)gelukkig kunnen
maken. Bewustzijn is namelijk vooral: het je bewust zijn van de altijd
dreigende honger, ziekten, dood, vijandelijkheden en andere problemen. Daar
hadden we toen we nog gewoon dieren waren, geen weet van. Wij zijn tobbende apen[92]geworden.
Pogingen
om aan het kwellende bewustzijn te ontsnappen zijn al zo oud als het bewustzijn
zelf. Natuurvolken, hun sjamanen vooral, zoeken hiertoe de trance, bereikt door langdurig vasten, door eindeloos te dansen of
rond te draaien en/of veelsoortige drugs uit planten. Daarmee willen ze weer
even vertoeven in de Droomtijd, de tijd van het begin der dingen (de
tijd van het begin van de namen voor de dingen, kortom de tijd dat de
mensen nog instinctzekere dieren waren), en om daarin te kunnen communiceren
met de Grote Voorouder. En vandaag
zoeken nog steeds tallozen vergetelheid in de roes.
Nog
een gevolg: we kwamen in een denkbeeldige wereld te leven, zoals ik al zei. Als
we nadenken over de dingen, halen we die voor onze geest. Dingen die ons
ongelukkige gevoelens kunnen bezorgen. Gedachten die we dan weer kunnen
‘verdringen’, door onze gedachten te concentreren op andere, liefst leukere,
dingen. Maar het kunnen ook onzinnige dingen zijn: niet bestaande
dingen, die we ons voor de geest kunnen halen louter omdat we er woorden voor
hebben. “Waarom is er iets, en niet
veeleer niets?”: dat soort woordgegoochel, waarmee vooral
Duitse filosofen ontelbare nutteloze uren zelf mee hebben verdaan en ook
talloze anderen hebben laten verdoen.
Ik
denk hierbij vooral aan Heidegger[93].
Ik heb lang nagedacht wat ik er nou zo fout aan vind, aan deze filosoof. En dan
bedoel ik niet zijn geflirt met Hitler (hij had dé Nazi-ideoloog willen worden
– maar Hitler wou natuurlijk geen idealistische filosoof voor z’n voeten hebben
lopen!) maar zijn gedachtespinsels. En
ik denk dat de fout hierin zit.
Mensen
zijn zo bijzonder geworden doordat ze namen voor de dingen zijn gaan
ontwikkelen. Onder dingen versta ik de concrete, waarneembare zaken. Ik
versta er ook abstracties onder, voor zover die waarneembaar zijn of voor zover
je ze gewaar kunt worden. Dus: handelingen, eigenschappen van dingen
(kleur, hardheid, zeldzaamheid, gevaarlijkheid, enz. Maar abstracties die je niet gewaar kunt worden, eigenschappen
zoals het al dan niet bestaan van een ding, behoren tot het domein van
de namen ervoor, en behoren niet tot de dingen. Je kunt
een ding gewaar worden en daaruit concluderen dat het ‘bestaat’. Maar
zodra je dan gaat nadenken over het ‘bestaan’ van het ding en dat
‘bestaan’ als een fenomeen, als een ding, gaat zien, ben je verkeerd
bezig. Omdat je ‘bestaan’, behorend tot het domein van de namen voor de
dingen, binnenhaalt binnen het domein van de concrete of gewaar te worden dingen.
De
Eleatische filosoof Parmenides (540-470 vC) was er de eerste in misschien. “Het
zijnde is, het niet-zijnde is niet!” poneerde hij parmantig. Hiermee laat hij
een eigenschap van de dingen, namelijk dat ze ‘zijn’ (bestaan), optreden
als een handelend ding: hij laat het ‘zijn’ bestaan! Ja, dan kun je
verder een enorm eind weg filosoferen. Maar niemand schiet er wat mee op, met die
aldus verkregen ‘inzichten’.
Door
namen als dingen te gaan zien maak je er een potje, een warboel
van. Kán hoor. Maar dan ben je fout bezig. Zullen we dat afspreken?[94]
En
zo kunnen we ons de vraag naar de zin
(bedoeling) van het leven in de kop halen. Dan gaan de woorden er met onze
gedachten aan de haal: dat suggereert namelijk een Bedoeler. Fout. Er is geen
Bedoeler, we zijn alleen, op dit leefbare planeetje in een verder onleefbaar
heelal.
Ah,
je bedoelt: de zin van jouw leven? Dat is één van de nadelige gevolgen
van het feit dat er geen Verhaal meer heerst in onze samenleving dat daar het
antwoord op geeft. Maar daar gaan we wat aan doen. Zie mijn tekst “Een nieuw
Groot Verhaal”.
In mijn jonge tijd heerste er nog wél een Verhaal in
het samenleven: het christelijke. Het was wel een dom Adam-en-Evaverhaal, maar
het wás er wél. Het dóórbreken van de vrije markt door het medium
televisie deed het ‘verdampen’: de kerken liepen leeg. En sindsdien heerst er
NIX meer. Maar dat is wat ik ga duidelijk maken: mensen zijn talige
wezens en die kunnen niet goed samenleven zónder een Verhaal. Dan heeft hun
geweten namelijk NIX meer om op terug te vallen. Dan hebben de mensen NIX meer
met elkaar te maken, en gaat ieder voor zich en de overheid voor ons allen; die
moet de regels stellen en dan weten de BOBO’s wel de mazen in het net te
vinden dat de regels niet voor hén hoeven te tellen.
Wat
ik ook duidelijk maak is dat het simpel is om ons weer van een nieuw Verhaal te
voorzien, en dan ook nog een universeel en op wetenschap gebaseerd en met de
wetenschappen meegroeiend. En dan ook nog zonder dat het aan ook maar iemand
hoeft te worden opgelegd: net als tattoo’s en piercings komt het ‘in zwang’.
Een
vijfde zeer dramatisch gevolg van het komen leven in een denkbeeldenwereld
heeft met moslims en vrouwen te maken. Actueel, niet? Ga er even voor
zitten.
20
Procent van ons dagelijks bestaan draait om denkbeelden.
-
Om het beeld dat we van ons zelf hebben.
-
Om het beeld dat we van de ander(en) hebben.
-
Om het beeld dat de ander(en) van ons heeft/hebben.
Geen van die beelden hebben we voor het kiezen.
Je hebt sowieso weinig te kiezen in het leven. Niet eens óf je geboren wordt of niet. En als je dan wél geboren wordt, heb je niet voor het kiezen van wat voor zoogdiersoort je ouders zijn. En als je als mensje geboren wordt, heb je niet kunnen kiezen of je een jongen bent of een meisje. Je hebt je ouders niet voor het kiezen gehad, noch de sociale omgeving waarin die leven of de maatschappelijke klasse waar die toe behoren. Je hebt niet kunnen kiezen in welk land of in welke cultuur je geboren wordt. Niet eens in welke tijd van de menselijke geschiedenis.
Je
zelfbeeld vorm je / wordt gevormd door wat je moeder en je verdere sociale
omgeving blijkbaar van je vindt. Vooral vanaf de tijd dat je je ook buiten de
gezinssfeer beweegt, gaat de samenleving en de cultuur waarin je geboren bent,
mede vorm geven aan je zelfbeeld. Is dat een godsdienstige dus vrouwvijandige
cultuur, dan krijg je het als meisje heel moeilijk. Is het een cultuur waarin
een geschrift als wat je nu leest, denkbaar is, dan krijg je het ook als jongen
moeilijk door enerzijds de moeilijk te vervullen verwachtingen welke de
(televisie-) voorbeelden van je eisen en anderzijds doordat er geen Verhaal
heerst dat duidelijk maakt waar het allemaal toe dient. Maar vergeleken bij de
situatie waarin de meisjes uit vroeger eeuwen en de moslimmeisjes van vandaag
moeten opgroeien, is het nog best wel uit te houden.
De
eer[95]
waaronder de moslimgemeenschappen vandaag nog steeds gebukt gaan, heeft ook
alles met zelfbeelden te maken. In een onderdrukkende samenleving als de
moslimwereld culmineert de onderdrukking in de onderdrukking van de vrouwen en
de onderdrukking van de seksualiteit.
Een
mannen-uitvinding, die onderdrukking. Vrouwen zijn in onze specifiek menselijke
evolutie altijd de baas geweest[96].
Enkele duizenden jaren geleden hebben de mannen de macht gegrepen, terwijl ze
daar evolutionair eigenlijk niet voor geschikt zijn. Hun onmacht moeten ze
compenseren met het onderdrukken van de vrouwen waar ze maar kunnen.
Heel
contraproductief (vrouwen hebben altijd het meeste en belangrijkste werk verzet
en doen dat nog steeds) en heel asociaal, dus onmenselijk. Dat onderdrukken
doen de mannen door de vrouwen te weren uit alle posities waaruit macht en
aanzien te halen valt. Met als belangrijkste wapen hun monotheïstische
godsdienst. En door het onderdrukken
van hetgeen de mannen zelf zwak maakt: seks. Met het gevolg dat het een obsessie
wordt. Allemaal de schuld van die vrouwen. Wie maken immers dat die arme mannen
zo lijden onder hun seksuele obsessie: de vrouwen! Sla ze, neuk ze waar je maar
kunt. Maar zorg dat je eigen zusters of dochters maagd blijven! En wanneer die
door je vrienden gepakt zijn, dood ze met jachtgeweer of hakbijl. Nee, niet die
vrienden, oen! - je zusters of dochters natuurlijk. Want die hebben jouw eer en
de eer van jouw familie tot schande gemaakt. Die vrienden waren immers
slachtoffer van hun obsessie?
Chottegod,
wat een ellende. Hebben alleen mensen. Talige wezens.
talige wezens, talig bewustzijn
Die
jonge meid rechtsonder op de voorplaat heeft wat op haar geweten, zou je kunnen
denken. Want met haar zijn deze dramatische toestanden in die
onbekommerd dierlijk levende op twee benen lopende en zich met stenen
verwerende mensapen in die soortnieuwe omgeving begonnen: door haar speelse
ideetje zijn de nakomelingen van haar populatie talige dus tobbende
apen geworden. Wat houdt dat precies in, die taligheid?
Steeds
meer namen voor steeds meer dingen. Er komt een moment dat er
zoveel dingen in onze omgeving door het onder-woorden-gebracht-zijn
binnen de wereld van benoemde dingen zijn gebracht dat we gevoelsmatig in een
‘benoemde wereld’, een ‘woordenwereld’ zijn komen te leven. Dat we (onze
voorouders) het gevoel kregen dat de dingen pas bestaan als en in
zoverre we er een woord voor hebben. En dat iets waar we geen woord voor
hebben, voor ons ook onbe’grijp’elijk is, dus dat het er niet echt is. Zoals in
het liedje
Dat is het einde/ dat doet de deur dicht/ daar zijn
geen woorden voor/
ja, dat is la-laláá-lalalala / ja dat is
la-la-la-la-la !
We
(onze voorouders) zijn dan talige wezens geworden. Hun bewustzijn is talig
geworden. En dat is ons bewustzijn nog steeds. Pas hiermee is Het bewustzijn
verklaard, Dennett![97]
Je
zou kunnen gaan denken dat wij ons met het ons talig bewust worden van
de dingen op een onnatuurlijk of zelfs tegennatuurlijk pad hebben begeven. Dat
zou best zo kunnen zijn maar er is geen
weg terug. Het is het pad van het steeds beter begrijpen van de
dingen, het pad dat ons steeds verder verwijdert van het dier-zijn en van het
primitieve begrijpen, verder wég van het geloven en het
spirituele. Het pad naar steeds meer ratio. Begrijpen en beheersen.
Zodat
we tenslotte onszelf en ons samenleven begrijpen en beheersen.
het scheppingsVerhaal
Duizenden
namen voor duizenden dingen, dat wordt een chaos in je kop als je
die begrippen niet ordent, niet in een logische samenhang brengt, niet
in een verhaal hangt.
De
beelden (gedachten) in je kop blijven ongrijpbaar en onbeheersbaar als je ze
niet verwoordt (uitspreekt, aan een ander of aan jezelf, door ze op te
schrijven bijvoorbeeld) meedeelt. Autisten kunnen dat niet: blijven in zichzelf
opgesloten. Lichtelijk-autisten, zoals Asperger-types, hebben er moeite mee,
maar die kunnen met enige hulp wat doen aan hun probleem. Vrouwen babbelen wat
af, daar zul je weinig Asperger-types onder aan treffen (hoewel, het is wel
erfelijk ...).
Maar
alle mensen hebben alleen echt grip op hun wereld wanneer de dingen
daarin in hun geest met elkaar samenhangen in een Verhaal.
Dat
begrijpen door middel van een Verhaal hebben onze voorouders, talig
geworden wezens, dan ook vanaf het begin, hoe onbeholpen ook aanvankelijk,
nagestreefd. Het Verhaal van hoe de dingen begonnen en zich
ontwikkelden, inclusief de mensen, tot hoe ze nu zijn. Door middel van het
scheppingsverhaal van hun wereld. Dat Verhaal werd bij elke gelegenheid
gedanst/gezongen. Als ze zouden ophouden met het dansen/zingen van hun
Scheppingsverhaal, zou hun wereld ten onder gaan, was hun gevoel. En daar zat
wat in: het was immers een woordenwereld. Hun taligheid was een nog zo
recente verworvenheid dat die keer op keer bevestigd diende te worden om hun
vertrouwen erin te schragen. Herhaling, herhaling. Aan het slot van elke dag,
van generatie op generatie.
De
belangrijkste figuur er in is de Grote Voorouder.
Dat
is de samentrekking tot één Figuur van de groep vrouwen, kinderen en mannen die
het stamgebied in vervlogen tijden voor het eerst in gebruik genomen hebben. De
erectusmensen verspreidden zich
immers over heel Afrika en Eurazië? Wanneer een leefgroep te groot werd,
vertrok een ondernemende groep vrouwen, kinderen en mannen en ging een nieuw
gebied ‘koloniseren’[98].
Dat gebied was nog onbetreden, nog zonder mensen, dus ‘woest en ledig’: nog onbenoemd. Want voor ons, talige wezens,
zijn de dingen er pas (zijn we ons er pas echt van bewust) wanneer en in
zoverre we ze onder woorden kunnen brengen. “In den beginne was het Woord ... “
Die koloniserende groep was de eerste die
heuvels en rotspartijen, rivieren en moerassen, bergen en ravijnen,
bomen en planten en dieren van het nieuwe gebied hun namen gegeven hadden.
Hetgeen voor talige wezens betekent dat ze die dingen daarmee het
aanzijn gaven, schiepen[99].
Voor
hun nakomelingen leefde deze groep eerste kolonisten (tot één Figuur
samengetrokken[100])
voort als de scheppende Grote Voorouder, wiens scheppingsverhaal ze elke avond
dansten/zongen rond het kampvuur.
Het
Verhaal vertelt hoe de Grote Voorouder het stamgebied binnen kwam en waar
Hij/Zij/Het[101] ging,
overal de voor de stam waardevolle dingen en dieren en planten schiep. Al die
belangrijke dingen kwamen ook in het Verhaal als belangrijke Figuren voor. Dat
Scheppingsverhaal (oorsprongsmythe) werd bij alle belangrijke gelegenheden door
de stam gedanst/gezongen; geen gebeurtenis (ziekte of dood, eerste menstruatie
of huwelijk) of het Verhaal kwam er aan te pas, met inkorting van dan niet ter
zake doende delen en uitbreiding van
het onderdeel dat dan juist wel ter
zake deed. De gebeurtenis bij uitstek was natuurlijk de initiatie van de
jongeren bij hun intrede in de volwassenenwereld. Het Scheppingsverhaal gaf
niet alleen de dingen hun plaats in de ons omringende wereld, maar ook onszelf,
het was de drager van onze identiteit. Dat Verhaal wás hun wereld, die door hun
dansen/zingen telkens opnieuw door hen geschapen en zodoende in stand gehouden
werd.
Het
best gestalte gegeven vind ik het hierboven geschetste terug in De clan van
de Wilde Honing van de Nijmeegse
antropoloog Ad Borsboom ( Becht, 1996) Dat gaat over een aboriginalstam in het
Australische Arnhemland.
Pas
nadat in recentere tijden stammen door wrede overheersers gedwongen werden hun
scheppingsverhaal te verwerpen en dat van de heerser aan te nemen – ‘beschaafd’
werden – , kregen hun nakomelingen het besef dat de wereld bleef voortbestaan
ook wanneer ze die niet meer dansten/zongen[102]. Dit oeroude Scheppingsverhaal, dat telkens
en bij iedere gelegenheid gedanst/gezongen werd, en dat al minstens twee
miljoen jaar lang, is de basis van onze religieuze[103] gevoelens. Samen met veel andere
neigingen die we als erfenis uit ons voorouderlijk verleden in ons meedragen is
de religieuze neiging evident. Ook al zijn de westerse mensen vandaag in een Nix-wereld
komen te leven, dan nog blijven die consumenten ‘ongeneeslijk religieus’ en
zoeken en scheppen ze surrogaat-rituelen om hun religieuze gevoel te
bevredigen.
het bastion van de heiligverklaring
Onze
voorouders hebben de onzekerheid waartoe ze veroordeeld waren door hun overstap
op talig bewustzijn (ratio,
het weten van de dingen), leefbaar
proberen te houden met geloof en magische rituelen. Deze zekerheden waren
echter bedenksels, waren pseudoverklaringen van de werkelijkheid waar het echte
weten van de dingen nog tekortschoot. Voor Westerse mensen die beschikken over
een al vier eeuwen bestaande traditie
van het natuurwetenschappelijk bekijken van de dingen, met steeds betere kijk-
en meetinstrumenten, en wier denkwereld ‘onttoverd’ is, is het moeilijk meer
voor te stellen dat hun wereld een eiland is in een oceaan van mensen die in
een heel andere wereld leven. Een wereld waarin de mensen nog geen andere middelen hebben om hun
bestaans-onzekerheid te bezweren dan het geloof en de tradities.
Omdat
men in diepste bewustzijn altijd wel voelt dat dit bedenksels zijn, moet men
deze diepere twijfel onschadelijk maken met heiligverklaring van deze zekerheden. Heilig is: onaantastbaar, mag je niet aankomen, mag niet worden
betwijfeld of ter discussie gesteld. In de Islam-wereld, waarin engelen,
duivels en andere geesten nog volop rondwaren, vigeert de heiligverklaring
virulent. De enkeling die kennis heeft genomen van het westerse denken durft
daar vaak niet voor te kiezen omdat hij dan de denkwereld van zijn ouders en
overige familie verlaat; behalve dat dit smartelijk is, is het, vooral voor
vrouwen, niet zonder lijfsgevaar.
Maar
... dat staat haaks op de onstuitbaar voortgaande groei van ons bewustzijn, ons
weten, onze ratio, het enige dat ons werkelijk van onzekerheid kan bevrijden!
Als dat niet dramatisch is ….
Onze
vroegere voorouders zijn daar altijd tamelijk soepel mee omgesprongen. Hun
clan-samenlevingen waren egalitair, kenden geen ander gezag dan het beraad van
de oudsten; en dit kon geen macht uitoefenen en dacht daar ook niet over.
Vooral toen de vrouwen het nog voor ‘t zeggen hadden waren deze samenlevingen
tamelijk vredig. Maar dat zijn ze niet gebleven.
de AMM’s
Ik
heb het al even over ze gehad, in verband met de gebarentaal als de oorspronkelijke
communicatievorm van onze soort. De Anatomisch Moderne Mens-populatie is
omstreeks 200.000 jg in Afrika ontstaan. Wederom in het noordoostelijke deel
van het continent, naar de paleo’s vermoeden, en wederom op grond van het feit
dat daar hun oudste fossielen worden gevonden. Ik zei dat de AMM’s nilotischer
van gestalte waren dan de Vroege Mensen elders in Eurazië. Dat heeft met het
klimaat daar te maken: ook vandaag zijn daar de mensen over het algemeen lang
en dun. Dat betekent ook: langere nekken. De tweede factor noemde ik ook al: de
drang om zoveel mogelijk betekenis te leggen in de bij het communiceren
gebruikte klanken, en die betekenis niet te beperken tot de klik!- en
plop!-klanken waar geen limbisch systeem aan te pas komt. Dus om ook betekenislading
te brengen in de stemhebbende klanken. Ik zei bovendien al dat dit vermoedelijk
in het kader van het dansen/zingen van het scheppingsverhaal en de bijbehorende
performances is gebeurd.
Door
de succesvolle overlevingsstrategieën, vruchten van ons menselijk vermogen om
samen te werken en met elkaar te overleggen en problemen op te lossen, waren we
van een onaanzienlijke populatie mensapen uitgegroeid tot een soort die heel
Eurazië plus een groot aantal eilanden had weten te bevolken. In sommige
leefgebieden was er een hoge bevolkingsdruk en in periodes van droogte of
inkrimping door klimatologische oorzaken leidde dit – we zagen het al bij de
chimpansees – tot vechten tussen de leefgroepen om te overleven. Leefgroepen
met de meeste gewelddadige mannen hadden dan de beste kansen en dus gingen de
vrouwen gewelddadigheid bij hun jongetjes en mannen aanmoedigen als ‘goed’
gedrag[104]. Dat ze
hier zelf de dupe van werden - mannen gingen zich als de superieure sekse
beschouwen, hun rituelen als superieur aan die van de vrouwen zien, het
Scheppingsverhaal aan de mannelijke superioriteit aanpassen, de Grote Voorouder
werd een man, etc. - namen de vrouwen
maar op de koop toe. Zo is het machisme [105] ontstaan, de eerste aantasting van de
tot ‘het goede’ (= sociale) geneigde menselijke natuur. Naar mijn inschatting
begon het hier en daar rond 20.000 jaar geleden[106],
enigszins. En waar leefgroepen echt structureel met elkaar in overlevingsstrijd
raakten en de mannelijke gewelddadigheid de enige overlevingsoptie voor een
gemeenschap, wat in veel Tuinbouwersgemeenschappen (horticulturalists) het
geval was, nam het machisme gruwzame vormen aan. Huidige voorbeelden
zijn nog Yanomamö (The fierce people, van N. Chagnon, NY 1983) en de
Bergpapoea’s in Nieuw Guinea.
Mannen
gaan zich ‘hun’ vrouw toe-eigenen en als een privé-slavin beschouwen en met
grove mishandeling aan zich onderwerpen. Dat mannen, hoewel van een
hypersociale soort, tot dit asociale gedrag komen zodra ze de macht krijgen (en
waarom vrouwen dat al die miljoenen jaren dat ze de macht hadden, niet gedaan
hebben) kunnen we vandaag allemaal lezen, in boeken als Demonic Males (1996)[107]
en De Oorsprong van de Moraal (1997)[108].
Waarom mannen dat doen? Voor mij is het ’t harde bewijs van de vrouwelijke
dominantie vóór de machtsgreep van de mannen. Om zich op hun positie te
handhaven dienden ze de machtige vrouwen er met alle geweld onder te houden.
Zodra
vanaf 7000 jaar geleden landbouwproductie voedseloverschotten mogelijk maakt,
kunnen mannelijke elites zich die overschotten toe-eigenen, zich eigenaars van
land verklaren, handelsoorlogen voeren en zich de overwonnen toe-eigenen als
slaven.
Mensen,
ook de huidige consumentenmaatschappij-mensen, zijn nog steeds van nature
goed. Zeker in hun eigen ogen, in hun zelfbeeld. Een crimineel zei – las ik
een paar dagen terug in een stuk in een van mijn kranten - : “Ik ben een goede
jongen. Ik doe alleen slechte dingen.”
Mensen
zijn van nature goed … zolang er geen geld of bezit in het spel is. Maar
dit zijn betrekkelijk recente fenomenen. In onze kapitalistische samenleving
spelen die dingen nu een hoofdrol …
De
vrouwen hebben hun voorouderlijke machtspositie bepaald niet van de ene dag op
de andere prijsgegeven, dat is allemaal heel geleidelijk gegaan. Rosalind Miles
beschrijft dat in haar boek The Women’s History of the World (London:
Joseph, 1988) heel overtuigend. De definitieve overwinning op de voorouderlijke
verering van de Grote Moeder hebben de mannen behaald met de invoering van de
grote monotheïstische godsdiensten. En het zijn niet zozeer de stichters[109]
ervan geweest die de vernederende en noodlottige anti-vrouw-propaganda hebben
uitgekraamd, maar de schiftuitleggers ervan, de kerkvaders en oelema.
Ook
Marvin Harris heeft de ontwikkelingsgang van egalitaire gemeenschappen naar
klassensamenlevingen goed beschreven in Our
Kind (1989)[110].
In
klassensamenlevingen worden de pseudoverklaringen en -zekerheden bolwerken van
prive-belangen der heersende elite en dan gaat het je de kop kosten als je ze
ter discussie wilt stellen. Dan is het bastion van de heiligverklaring een
gevangenis voor de ratio geworden. Daar is het islamisme, de huidige
politieke islam, een voorbeeld van.
Maar
vandaag hebben we de beschikking over zoveel verklaringen voor de dingen en we
krijgen er elke dag meer. De bestaansonzekerheid waarmee ons te kort schietende
bewustzijn ons had opgezadeld, is vandaag door de groei ervan danig afgenomen.
Onweer, ziekten, droogte en hongersnoden zijn voor de consument tot herkenbare
problemen gereduceerd. Maar nog steeds heeft ons talige bewustzijn behoefte aan
een (nu graag wetenschappelijk verantwoord) kader om de chaos der dingen en hun
begrippen in te vatten en om er de zin van te kunnen zien[111].
conclusie
Hiermee
besluit ik mijn uiteenzetting over taal en bewustzijn. Het eigenwijze er
in is de stelligheid waarmee ik deze
met gebarentaal laat beginnen, de taligheid (en de bijzondere manier
waarop onze voorouders daardoor in het leven kwamen te staan, de macht die ze
erdoor kregen over de dingen, over het vuur maar ook over hun
mededieren) en de betekenis van het gedeelde scheppingsverhaal voor het
menselijke samenleven.
Wanneer
u er op wilt reageren: welkom.
fcouwenb@mens2000.nl
[1] Daniel C.Dennett Het Bewustzijn Verklaard, Contact 1993
[2] Bart Voorzanger, in Tussen mens en stoel (artikel in Wetenschap, Cultuur&Samenleving, sept.’97)
[3] Wim van de Grind Natuurlijke intelligentie (Amst. 1997)
[4] zie www.humanosofie.nl
[5] treffend is de etymologie van religie volgens Van Dale’s Etymologisch Woordenboek: van relegere [weer bijeenlezen, opnieuw doorlopen, telkens overwegen], van re-(wederom)+ legere(lezen).
[6] deze al veel oudere aanname wordt sinds de DNA-onderzoeken rond 1950 nu door niemand meer betwijfeld; maar ik vond een leuk bewijs dat ik u niet wil onthouden: onze luizen en vlooien. Deze parasieten, insecten die de haren en veren van de meeste levende wezens bevolken, hebben zich net als hun gastheren aangepast aan hun leefomgeving en wel zodanig dat ze niet meer in een andere kunnen leven. Niet alleen wat de vorm van hun klauwen betreft maar ook wat betreft hun spijsverteringsstelsel: geheel afgestemd op het bloed van hun gastheersoort. Welnu, wij kunnen onze luizen ruilen met die van de chimpansees en bonobo’s, maar met geen enkel ander dier, zelfs niet met onze neven, de gorilla’s.
Nog een bewijs voor onze nauwe verwantschap: chimpansee-baby’s doen het goed op mensenmoedermelk en andersom: dat is ook met geen enkele andere soort het geval, omdat moedermelk een heel gespecialiseerd goedje is
[7] maar ook westelijkere gebieden zoals de huidige Sahel werden savannen, zoals gebleken is uit de onderzoekingen van de Franse paleontoloog Michel Brunet en de zijnen, die in Tsjaad het oudste hominidenfossiel Tourmaï hebben opgedolven, dat op bijna 7 miljoen jaar oud wordt geschat
[8] die noem ik als eerste vanwege een heel belangrijk empirisch gegeven: de tanden van de gevonden australopithecinenfossielen; hun vorm, hun zeer kleine slagtanden en hun glazuur wijzen op een hoofddieet van het vermalen van zaden
[9] daar legt de gezaghebbende Amerikaanse paleoantropoloog Richard Wrangham erg de nadruk op
[10] het indianenverhaal wil dat één van die tijgersoorten, dinofelis, zich zelfs speciaal op hominiden toegelegd heeft! Maar onder de opsomming van diens prooien worden geen hominiden vermeld. Dat zijn trouwens geen dikhuiden: sabeltanders waren op de grote dikhuiden gespecialiseerd. En dinofelis was, wel behorend tot het geslacht felines, geen tijger en zijn tanden waren meer dolken. Het gevaarlijkst voor de vobo’s waren, denk ik, de (voorouders van) de boomklimmende luipaarden en de arenden.
[11] ach ja, zo duid ik alle geleerden en onderzoekers aan die van belang zijn voor ons verhaal
[12] “the seize of a Volkswagenbus” zoals een Amerikaanse paleontoloog de fossielen ervan omschreef; en als je Naturalis bezoekt, kom je er een tegen in de gang naar de zalen, er zijn bezoekers die er niet in hun eentje langs durven, zo echt lijkt die. Dat ‘veroveren’ deden ze niet door er bovenop te springen maar door de buik open te rijten … ze voedden zich kennelijk met de ingewanden
[13] Margaret
Ehrenburg Women in prehistory; Nancy Tanner in On becoming human;
Adrienne Zihlman in Women as shapers of human adaptation en Tim
Taylor in Prehistory of the Sak
[14] chimpansees sluiten met een paar man een colobus-aapje in, zodat alle vluchtwegen voor het slachtoffer zijn afgesloten; dan klimt één hunnen naar boven en grijpt het diertje, rukt er terwijl het schreeuw van pijn en angst, een vooreen de ledematen af en verdeelt de buit onder de helpers; savannebavianen sluiten een van de kudde afgedwaald antiloopje in en jagen het in een wijde kring estafettegewijs op tot het van uitputting blijft staan
[15] wordt goed uitgelegd in Sporen van de evolutie van Elaine Morgan (Ambo 1996)
[16] daar pleit Elaine Morgan vooral zeer overtuigend voor, wijzend op onze afwijkende zouthuishouding en zweetgedrag; dus moeten in ons verhaalbegin wellicht meer zoutwatermangrovebossen worden ingebouwd; maar ze krijgt zo weinig support omdat haar verhaal meer vragen oproept dan bevredigend beantwoordt
[17] en dan denk ik vooral aan de in 2001 gevonden fossiele restanten van orrorin tugunensis, gedateerd op 6 mjg en van een tweebener die er ‘menselijker’ uitzag dan de beroemde ap afarensis ‘Lucy’ van 3.6 mjg, tot dan toe als vooroudertype beschouwd
[18] het beroemde in 1960 door de Leakey’s in de Olduvay-kloof gevonden fossiel werd aangetroffen in de onmiddellijke nabijheid van primitieve stenen werktuigen, als de maker ervan beschouwd en derhalve tot Homo habilis (‘de handige mens’) gedoopt; in diezelfde kloof zijn ook twee slachtplaatsen van primitieve olifanten gevonden, met primitieve stenen werktuigen, maar daarvan werden terecht niet de olifanten als de makers aangezien ...
[19] hun handen en voeten verloren hun klimfaciliteit pas toen onze voorouders twee miljoen jaar geleden het vuur leerden beheersen, voltijds grondbewoners werden en tot erectus evolueerden
[20] in de strijd om voedsel en voortplantingskansen zijn soortgenoten de grootste concurrenten voor het individu
[21] Frans de
Waal Chimpansee Politiek (1982), Van
nature goed (Contact, 1996), Bonobo (1997)
[22] Jared Diamond The Third Cimpanzee. Het evolution and future of the human animal.
New York 1992.
[23] die zou bij het op twee benen lopen alleen maar in de weg zitten; aan het feit dat onze vooroudervrouwen de oestrus tot een ook voor henzelf onmerkbaar lichamelijk gebeuren hebben weten te maken, wordt denk ik te weinig aandacht besteed; het is verdwenen omdat de spanningen tussen de mannen die de geuren van de oestrus opriepen, een te grote bedreiging van de groepshechtheid vormden en dus zeer ongewenst waren; maar hoe krijg je die onderdrukt? daar ga je je al gauw een Lamarckistisch proces bij voorstellen …
[24] in de literatuur noemt men de overheersende positie van de mannen patriarchaat, maar ik vind dat woord iets eerbiedwaardigs hebben. Onderdrukking van de vrouwen en kinderen hoort bij slavernij en apartheid en die vind ik allesbehalve eerbiedwaardig; dus gewoon ‘machisme’!
[25] www.cwu.edu/~cwuchci/ en lees vooral het uiterst leerzame en onderhoudende boek van Roger Fouts
Van mens tot mens (Bruna, 1997); Washoe is op 30 okt.’07 op 42-jarige leeftijd overleden
[26] Fouts p.224: “Loulis was een autodidact. Negentig procent van zijn gebaren waren spontaan en kwamen niet voort uit aanwijzingen van Washoe. Dit leidde tot creatieve doorbraken. Zo gaf ik op een dag nadat hij de gebaren voor SNEL en GEEF ME van Washoe had geleerd Loulis iets te drinken. Per ongeluk haalde ik het kopje even van zijn mond weg. Loulis keek me aan en gebaarde SNEL GEEF ME! Een onmiddellijk bedachte combinatie van die twee gebaren.”
[27] overigens geen realistische optie voor chimpansees die in een mensenomgeving zijn opgegroeid. Ze hebben nooit kunnen leren hoe ze in het regenwoud moeten leven dus daarin zouden ze even ‘onthand’ zijn als wij
[28] Nicholas Humphrey, Consciousness Regained, Oxford Univ.Press 1984: niet het gebruiken van gereedschap maar de sociale interactie is de belangrijkste factor bij de evolutie van de hominiden (Hst.2)
En daar vind ik de druk van de nieuwe hachelijke leefomgeving weer de belangrijkste factor bij. Want waarom hebben de toch veel en gemakkelijk op hun achterpoten lopende bonobo’s geen gebarentaal en geen gereedschapsgebruik ontwikkeld? omdat deze soort haar regenwoud in geen enkel tijdperk heeft hoeven te missen (Frans de Waal Bonobo, p.25). Dus ze hebben nooit de veel grotere behoefte aan complexere communicatie die het savanne-overleven van de vobo’s vergde, gekend. Nog een factor is de volgende: In het dichte regenwoud vormt roepen dikwijls het enige communicatiemiddel; visuele signalen zijn alleen op korte afstand bruikbaar. Bepaalde roepen dienen om individuen te verzamelen of juist te verspreiden. Hoogstwaarschijnlijk herkent de bonobo de stem van ieder individu in zijn groep. (Id. p.144)
De savannebavianen, toch ook van oorsprong regenwouddieren, hebben ook geen gebarentaal ontwikkeld. Ze gooien niet, zijn dus nooit tweebenig geworden, in tegendeel, ze zijn echte viervoeters geworden en draven als honden. Voor hun verdediging blijven ze in de buurt van de bomen, en hun slagtanden zijn groter dan die van een leeuw. Maar belangrijker: ze zijn veel minder sociaal. De mannen zijn zowat tweemaal zo groot als de vrouwen en spelen zonder meer de baas. Wordt nooit wat.
[29] het verst hierin gaat een bonobo die, als hij wil dat de groep verkast naar een vruchtboom waarvan hij weet dat die nu rijpe vruchten draagt en dat die door andere vruchteneters half leeg gegeten is wanneer ze daar niet nu en onmiddellijk heen gaan, met een grote tak gaat lopen slepen in de richting van die boom; de andere groepsleden begrijpen wat dat stuk ongeduld bedoelt en maken weldra – veel te traag naar zijn zin natuurlijk, aanstalten. Evengoed is hij hiermee wel over iets aan het communiceren dat hij weet maar dat niet waarneembaar is! Maar bedenk wel, dat het iets is waarvan hij weet dat de anderen het ook weten en dat hij alleen hun besluit wil verhaasten
[30] waarom vinden wij een hyena zo’n afstotelijk dier? Het is, objectief gezien, toch een prachtig dier? wij kunnen intuïtief niet onbevooroordeeld naar een hyena kijken omdat het de gevreesde en gehate voedselconcurrenten van onze soort waren
[31] Pinker wil niet aan een gebarentaal-voorfase omdat, zo zegt hij, gebarentaal “even complex is als spraak” (Taalintinct p. 382) en oppert dat ‘verwijzings-kreten’ zoals die van de groene meerkatten “ spontaan onder controle van de hersenschors” gekomen zullen zijn! Waarin Pinker mijn verhaal ondersteunt is zijn stellige overtuiging van het vroege begin van de ‘aanmaak’ van ons taalvermogen – alleen zonder bijbehorende argumentatie
[32] daar krijg ik het verderop nog over
[33] in 1931-32 door het echtpaar Kellogg, met chimpmeisje Gua, en begin jaren ‘50 door het echtpaar Hayes met chimpmeisje Viki – die na zes jaar intensieve training slechts vier woorden kon zeggen”’mama’, ‘papa’, ‘cup’ en ‘up’, moeizaam en nagenoeg stemloos uitgebracht. Hierna heeft men spreektaalexperimenten voor gezien gehouden ; het echtpaar Gardner is toen met het ‘Washoe’-project begonnen: een chimp-baby opvoeden met ASL-gebarentaal; Roger Fouts is daar als student bij ingehuurd en die is daar verder ‘levenslang’ aan vast blijven zitten
[34] toen de interviewer in het programma “God bestaat niet” aan Dick Schwaab vroeg: wat zijn wij?
antwoordde deze: “Wij zijn onze hersenen. De rest van ons lichaam dient slechts om onze hersenen voort te bewegen, ze te voeden en ze voort te planten!”.
[35] de soortnaam Homo sapiens, te danken aan Linnaeus (1758), en nog steeds officieel in gebruik in de paleo-wereld, krijg ik niet meer uit m’n bek
[36] William H.Calvin, De Speurtocht naar Intelligentie, Contact 1996
[37] William H.Calvin, De rivier die tegen de berg op stroomt, Amsterdam 1990. p.456: “De linkerhersenhelft bij mensen wordt algemeen geassocieerd met tijdgebonden reeksen. De taal is daarvan slechts een onderdeel: snelle bewegingen van hand en arm, ongeacht of ze nu links of rechts worden uitgevoerd, worden beheerst door de linkerhersenhelft. Hetzelfde gaat op voor de bewegingsreeksen van mond- en gezichtsspieren: de linkerher-senhelft beheerst beide gezichtshelften.”
De vage afdruk van de hersenen in enkele fossiele H.Habilis-schedels duiden er misschien op dat de grote hersenen al ruimte vrijgemaakt hebben voor wat nu bij de huidige mens bekend is als ‘Broca’s gebied’, een hersenstreek in de linkerhersenhelft die verbonden is met het spraakvermogen. (Stephen Jay Gould e.a., Verslag van het leven. Schuyt 1993)
[38] had ik echt zelf bedacht. Maar laat ik nou in Taalinstinct van Steven Pinker (p.395) lezen dat juistgenoemde William Calvin in (het niet door mij gelezen boek) The Throwing Madonna precies hetzelfde oppert als verklaring voor de linksbreinigheid van de taalcentra! Alleen begaat Calvin de stommiteit om zijn ‘Madonna” haar vrije hand te laten gebruiken voor het stenen gooien in plaats van voor het communiceren; de dames babbelden, de heren zwegen en zorgden met hun stenen voor de veiligheid
[39] in plaats van achteraf toe te geven dat zijn behavioristische aanpak onjuist geweest was, kritiseerde Terrace de beter slagende experimenten die in een menselijke en sociale omgeving plaatsvonden als ‘onwetenschappelijk’! Dat argument werd door een bezuinigende overheid aangegrepen om de subsidies ervoor in te trekken. Ze raakten daardoor in ernstige overlevingsmoeilijkheden: je kunt die chimpansees niet laten verhongeren en in de steek laten. O.a. Jane Goodall heeft er zich toen zeer voor ingezet.
[40] helaas is mijn enthousiasme voor het Washoe-project, althans voor wat de gebarentaalverwerving betreft, door terechte kritiek wat gedempt; het Washoe-team interpreteerde, in haar ijver om zoveel mogelijk ASL-gebaren te ‘scoren’, te gemakkelijk gewone communicatieve of imitatieve gebaren als ASL-gebaren; met scherpere criteria komt de omvang van de Washoe-woordenschat dichter bij de vijfentwintig dan bij de geclaimde 240 (!) te liggen
[41] vinden wij heel gewoon, niet? ta-ta-ta bij
die kindjes. Maar waarom geen tááááá? Juist! ze maken onderbrekingen
[42] smaakt een beetje ‘heet’
[43] ik heb het uit een bespreking van Liesbeth
Koenen in het Magazine van NRC mrt ‘03
[44] ja, als ik daar een foto zou kunnen uitzoeken van zo’n moment, zou ik een beter voorfrontschilderij kunnen maken dan ik nu heb gewrocht
[45] wetenschappelijke aanduiding: MSA (Middle Stone Age) -mensen
[46] nee, dit is geen Lamarckistische gedachte, ik denk wel degelijk in termen van populaties die het beter doen dan andere doordat een bepaalde half-culturele, half-fysieke verworvenheid daar dominanter voorkomt dan bij de andere
[47] sterker nog, de VOAP-dames zijn waarschijnlijk behoorlijk luidruchtig geweest; bij het verzamelen kun je maar het beste veel lawaai maken, zodat de slangen en ander ongedierte dat gevaarlijk is als je het overloopt, zich tijdig uit de ‘voeten’ maken
[49] Wilhem Schmidt (1868-1954), Oostenrijks
taalkundige, antropoloog en etnoloog, boek Der Ursprung der
Gottesidee,
[50] dat is het kunnen invlechten van bijzinnen in je hoofdzin [Jan riep dat Piet had gezegd dat ‘ie zelf ook wel weet dat het morgen gaat dooien]
[51] antropoloog Daniël Everest verblijft al dertig jaar regelmatig bij hen; ze zijn ook wel een beetje apart: ze slaan geen voedsel op, kijken nooit verder vooruit dan één dag, praten nooit over iets uit het verre verleden of in de verre toekomst, ze leven echt in het ‘hier en nu’ en concentreren zich op de directe ervaring
[52] Washoe beheerst er 240 (volgens
www.cwu.edu/~cwuchci/ )
[53] Fouts
p.76
[54]
www.cwu.edu/~cwuchci/
[55] serendipiditeit, het vinden van dingen die je niet zocht. Zoals in het oude Indiase sprookje de drie prinsen van Serendip telkens overkwam ( zie: http://livingheritage.org/three_princes-2.htm )
[56] Henk Spiering, 16 apr.’03 NRC)
[57] bekend is het tekeningetje dat stond voor [stier]: apis; dat werd het tekentje voor A; als je een A omdraait, zie je nog steeds het driehoekje dat voor de kop staat met de twee horens er boven uit stekend
[58] Bonobo, p.32
[59] C. Jordan Das Verhalten zoolebender
Zwergchimpanzen, Frankfurt 1977
[60] Donald haalt Skinner Verbal Behaviour
(1957) en Meyers aan bij het er op wijzen dat mensapen weinig controle
hebben over hun stemgeluiden en dat de patronen ervan erg stereotiep zijn
[61] onbekendheid met de macht van de gebarentaal speelt de meeste taalkundigen nog steeds parten, blijkens het boek van Jean Aitchisson The Seeds of Speech Language Origin and Evolution (Vert. Het Spectrum, 1997 als De Sprekende Aap). Ze behandelt wel de optie van de gebarentaal als oorsprong van ons taalvermogen, maar wijst deze af als “niet waarschijnlijk” (p.89), en met als enige argument “ondoelmatig” : handenbindend en in het donker niet te zien
[62] Donald, 1995 p.42
[63] onze woorden komen beter ‘los’ wanneer we onze handen en ons overige lichaam mogen laten meedoen; de gesticulatie is ook een fractie sneller dan de articulatie
[64] Dat ik het begin van onze taligheid al in de australopithecinen-fase laat beginnen, zal voor menig deskundige moeilijk aanvaardbaar zijn, wanneer ze weten dat autoriteiten als Randall White, Richard Klein en Lewis Binford zelfs aan de Neanderthaler nog ieder vermogen tot talige communicatie ontzeggen. Tegenover dezen staan dan andere deskundigen als de paleo-neurologen Raph Holloway, Dean Falk en Terrence Deacon die de ontwikkeling van gesproken taal al op een vroeg moment in de menselijke historie plaatsen. Zoals ik doe, maar dan niet als gesproken taal maar als gebarentaal. En daar beginnen ook steeds meer onderzoekers van uit te gaan: Hewes, Corballis, Stokoe, Fouts, Wrangham e.a.
[65] als de Merapi onrustig is, durven de bewoners van de kampong aan de voet van de berg nauwelijks hardop te praten en al helemaal niet over de berg: dat zou getuigen van weinig respect voor ‘de oude heer’ (zoals ze de vulkaan aanduiden)
[66] John Hughlings Jackson (1835-1911), Engels neuroloog, en vernieuwend denker met brede interesse; belangrijke inspiratiebron voor de bekende Britse neuroloog Olivier Sacks (oa De man die zijn vrouw voor een hoed hield)
[67] Boyd % Silk How Humans
Evolved (NY/London 2000) p.509
[68] beschreven door biologisch-antropologe Shirley C. Strump "Moving The Pumphouse Gang" International Wildlife,1998
[69] nóg een mogelijkheid: vrouwen wisten dat je na een brand ook stokken met vuurgeharde punten kon verzamelen, als graafstok; en dat er een op het idee kwam om een vuurtje van een smeulende tak aan te houden om zelf een stok van een vuurgeharde punt te voorzien ... ach, verzin zelf ook eens iets!
[70] Boyd&Silk p.411
[71] Boyd&Silk p.429 Maar in een gesprek van Hendrik Spiering met primatoloog Jan van Hooff in VN 31 okt.’03 noemt Van Hooff 1.8 mjg als hij het heeft over Nariokotome Boy. Daar citeert deze ook nog de befaamde paleoantropoloog Alan Walker, leider van het team dat Nariokotome Boy gevonden had: Walker mijmert daarbij: “In zijn ogen zie ik niet de afwachtende blik van een mens die een vreemdeling ontmoet, maar de dodelijk onwetende blik die ik gezien heb in de starende ogen van een leeuw.” Walker ziet in de HE dus geen mens maar een gewoon wild dier. Betekent dus dat Walker nog nooit een chimpansee of gorilla aangekeken heeft of zo’n mensapenblik op een foto gezien heeft!
[72] ik heb haar eens gemaild hierover, en ze zei dat ze nog steeds van mening zijn dat de HE’s nog geen mensen zoals wij waren ... (jah, daar ging het natuurlijk niet over, maar een portrettekenaar gaat niet lopen kissebissen met een topwetenschapster)
[73] het multifunctionele stenen snij- en hakmes dat onze deskundigen slechts met lange ervaring en moeite kunnen maken
[74] Flores is altijd door een zeestraat van vasteland gescheiden geweest, ook gedurende de koudste momenten van de ijstijden ... desondanks al 840.000 jg door HE-mensen gekoloniseerd, getuige de door Michael Morwood in 1998 in het Soa Basin van Centraal Flores opgedolven en gedateerde stenen HE-werktuigen
[75] zelf denk ik dat H. habilis nog een
keer zijn H moet afstaan aan garhi en diens ap moet
aannemen.
[76] net zo min als men aanneemt dat op de
‘nijlpaard’-vindplaats FLK-Noord in Oldowai het geslachte nijlpaard de maker
van de drie kernen en de 150 afslagen is; of dat de reuzenbavianen waarvan
resten op de bekende vindplaats Olorgesailie samen met heel veel stenen
werktuigen te zien zijn, als de makers ervan worden beschouwd
[77] in het boek THE WISDOM OF THE BONES (1984), samen met zijn vrouw Patty Shipman. Overigens, haar heb ik hierover een mail gestuurd en ze antwoordt:” If you
are asking do we still think the Nariokotome individual was not a human (not
"us"), we both still believe that is true. “ Ja, dat beweer ik ook niet, dat NB een
mens was zoals wij-nu. Maar het gaat om hún bewering dat hij een dier was zoals
een leeuw dat is. Maar kom, een portrettekenaar gaat niet lopen kissebissen met
een topdame zoals Pat Shipman!
[78] in zijn Science-artikel mei 2000
[79] Kathy
Schick & Nick Toth Making Silent Stones Speak (N.Y.1993) en Ian Tattersall
The Fossil Trail (Oxford U.P.,1995)
[80] zoals de Yanomamö, in The Fierce People van N. Chagnon (N.Y. 1983)
[81] De vellen waren niet alleen onmisbaar om er
stenen of verzameld voedsel in mee te dragen, maar ook BABY’S!
Dat ze
tweebeners geworden waren, had de nodige aanpassingen gevergd in de loop van
een paar miljoen jaar (tussen 8 en 6 mjg), waaronder een heel ander bekken. Met
een nauwer geboortekanaal! Dus onvolgroeidere, afhankelijkere baby’s! Langer
van moederlijke zorg afhankelijk dan chimpansee-baby’s. Met als gevolg een
langere jeugd- en leerperiode, een grotere onderlinge (sociale) afhankelijkheid
en samenwerking binnen de groep en ... het verschijnen van de oma (kennen
mensapen niet).
[82] nou ja, uitroeien ... het waren voedselconcurrenten en bovendien zijn apen voor apen het lekkerst, voor mensen trouwens ook. De erectusmensen waren veel groter, en beter bewapend. Misschien zijn de australopithecinen verdrongen door de groeiende erectuspopulaties, naar steeds voedsel-armere en geïsoleerde gebieden, en zodoende gewoon uitgestorven. Maar als je ‘t mij vraagt ... gewoon opgevreten, en onlangs stuitte ik, in Boyd&Silk p.429, op een bewijs! In de Swartkransgrot (Transvaal) zijn in lagen met ercetuscontext (erectusfossielen en – werktuigen) geroosterde botten gevonden van hun prooidieren, waaronder van AP.boisei! (dat was een gorilla-achtige plantenetende AP)
[83] ik schrijf de fascinatie door de hersengrootte bij onze paleontologen vooral toe aan het feit dat die schedel-inhouden zo prachtig in cc’s te meten vallen. Taalonderzoeker Steven Pinker merkt hierbij snedig op dat dit eenzelfde soort reactie is als van de dronkelap die z’n sleutel verloren heeft en deze bij de lantarenpaal gaat zoeken: daar valt immers licht! En hij zegt ook nog: “Selectie op uitsluitend hersengrootte zou zeker punthoofden hebben opgeleverd, vanwege de vlottere bevallingen.”
[84] ik schrijf dat telkens vetgedrukt, omdat ik het gaan beheersen van het vuur zo betekenisvol vind terwijl er door de echte geleerden weinig of geen acht op wordt geslagen; de meesten houden vast aan een heel recente datum van het gaan gebruiken ervan, omdat tekenen van een vroeg gebruik pas kort geleden zijn gevonden
[85] de Britse neuroloog John Huglins Jackson (1835-1911), de ‘vader van de Britse neurologie’, bewonderd door Freud
[86] chimpansees zijn er beter in dan bavianen, bijvoorbeeld
[87] je ziet het in de dierentuinen veel: opgesloten dieren die urenlang heen en weer lopen langs de tralies; ‘ijsberen’; de olifant die urenlang op dezelfde plek staand ritmisch kop en slurf heen en weer zwaait, daarbij telkens de voorpoten kruisend
[88] ik vermoed dat die eerste vuurgebruikende VOAP-vrouwen het vuur nog als een levend wezen zagen dat je moest ‘voeden’ om het in leven te houden en dat doodging als je dat niet langer deed, of door een stortbui; ze hebben er tegen gebaard en het beweend als een dierbare overledene, fantaseer er maar op los. Maar in het droge seizoen hadden ze zo weer een nieuw vuur om te koesteren.
[89] twee jaar geleden nam ik met kameraad Ruud deel aan de Neanderthal Convention in Tongeren. Na afloop waren er een paar bezoeken aan naburige opgravingssites, met bussen. In Veldwezelt werden we gewezen op twee lagen waarin de restanten van een NT-kamp waren aangetroffen (vuurplaatsen, stenen werktuigen en prooidierbotten, o.a.); de diepste laag dateerde uit de warme Eemien-tijd (130.000 jg) en de bovenste was van 40.000 jg. Dus Ruud (en niet ik) stelde de voor de hand liggende vraag: is er verschil in werktuigtechniek te zien na die bijna 100.000 jaar! Geen enkel verschil! was het antwoord
[90] Klukhuhn vergelijkt dit gevoel met jet jezelf opbellen: doe je het met je huistelefoon dan krijg je een in-gesprek-toon en doe je het vanuit de telefooncel dan neemt er niemand op (Klukhuhn had toen nog geen mobieltje!)
[91] Fouts vertelt het schrijnende verhaal van de vrolijke Ally, de favoriete vriend van Washoe. Puur omdat de behavioristische psycholoog William Lemmon officieel zijn eigenaar was werd Ally uit de ‘familie Washoe’ weggehaald en verkocht aan een aidsonderzoekslaboratorium, waar hij zijn verdere dagen in eenzame opsluiting in een nauwe kooi moest slijten. Na twee jaar bezocht Fouts, in gezelschap van Jane Goodall, de gevangene. Deze herkende hem onmiddellijk en ontwaakte uit zijn lethargie. Maar na een half uur gebaren uitwisselen moest Fouts weer weg. Ally heeft er nog drie jaar geleefd alvorens vroegtijdig te overlijden.
[92] titel van
een van mijn teksten; variant van het
door Morris aangereikte thema de naakte
aap, overgenomen door M.Corballis The
lobsided ape. Oxford Univ.Press 1991 (erg goed boek) en Jean Aitchison De sprekende aap. Spectrum 1997 (minder).
[93] het beste referaat over hem wat ik gelezen heb, is van Ciano Aydin (Aramees van geboorte) en Pieter Lemmens en het heet: “Nietzsche’s en Heideggers offensief tegen het humanisme”. Beide filosofen zijn medewerker aan de Universiteit Nijmegen.
[94] je ziet de fenomenologen al in hun schulp kruipen voor deze strenge portrettekenaar!
[95] ‘eer’ is een denkbeeld uit de machistische stammenwereld; de moslimcultuur hangt daar nog zwaar in; de westerse cultuur is al voor een groot deel bevrijd van de stam-mentaliteit; omdat niemand het voor ’t kiezen heeft gehad in welke cultuur hij geboren is, is stam-mentaliteit dus niemand kwalijk te nemen; maar lastig is het wel; alleen het ook in die wereld dóórbreken van de vrije markt en de democratie kan hen er van bevrijden
[96] Niet dat ze macht over de mannen hadden. Natuurlijk niet: een man is 15 % sterker dan een vrouw (puur als gevolg van de taakverdeling) en heeft altijd over de wapens beschikt. Maar ueberhaupt hebben de mensen nooit macht uitgeoefend over elkaar, zelfs niet over hun kinderen. In 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, hebben onze voorouders geleefd als Verzamelaars/Jagers (VJ’s), en in al die lange-lange VJ-tijd die onze menselijke natuur bepaalt – maar daarover gaat mijn tekst “De menselijke natuur”—waren onze voorouders gezond en gelukkig en hadden volledig respect voor elkaar, voor hun kinderen, voor de dieren en de hele natuur. We verlangen er nog steeds ten diepste naar terug, naar dat ‘verloren paradijs’.
[97] Daniel Dennett Consciousness Explained
(Back Bay Books 1992), vertaald als Het bewustzijn verklaard
[98] De nieuwe groep bleef contact houden met de stamgroep, ze bleven van elkaar afhankelijk vanwege huwelijkspartners, grondstoffenruil, gezamenlijke jachten, feesten en stamrituelen. De verspreiding ging met een ‘snelheid’ van 16 km per jaar.
[99] dichters zijn ook scheppende kunstenaars, en zo voelen ze zich ook vaak. Willem Kloos dichtte: “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten …”
[100] hebben we nog steeds een handje van, in de oorlog hadden we het over ‘de mof’ (de Duitsers); en ‘de Amerikaan’ denkt hier anders over dan ‘de Engelsman’
[101] de Grote Voorouder is onveranderlijk noch man noch vrouw, en dat klopt: het is een groep! Vaak is Hij/Zij half dier half mens
[102] de meeste aboriginals hebben hu n levensmoed verloren nu hun stamgebied, hun Verhaal, hun wereld door oppermachtige bezetters in beslag genomen is
[103] Van Dale: religie (van lat. relegere: weer bijeenlezen, opnieuw doorlopen, telkens overwegen). Godsdienst en religie worden door gelovige schrijvers consequent door elkaar gehaald. Samuel IJsseling is de eerste die ik in Trouw het onderscheid wel zag maken (heb ik helaas niet uitgeknipt, zo belangwekkend was de rest nou ook weer niet, en nu regent het dus ik loop nou niet naar de schuur, je kunt me wat!)
[104] hebben we nu nog steeds een handje van! “Moet je die ondeugende grijns zien!” jubelen de moeders zogenaamd afkeurend over hun jongetjes. Doen ze nooit bij hun meisjes. En “‘t Is toch zo’n kleine boef!” roemt papa goedkeurend.
[105] hier stond eerst ‘patriarchaat’, maar ik vind dat woord iets eerbiedwaardigs hebben, terwijl de onderdrukking van vrouwen door de mannen niets eerbiedwaardigs heeft; dus gewoon: machisme
[106] waarom? omdat zich dan die merkwaardige Grote Sprong Voorwaarts in steentechniek, jachtbewapening (speerwerper, pijl en boog), sieraden en grottenschilderingen begint af te tekenen, die door mij als een afscheid van het vrouwelijke cyclische denken en de overgang op het mannelijke lineaire vooruitgangsdenken wordt geïnterpreteerd
[107] Richard Wrangham and Dale Peterson Demonic Males. London 1996
[108] Matt Ridley, The Origins of Virtue (Oxford, 1996). Vert. De oorsprong van de moraal. Contact 1997
[109] Mohammed was voor zijn tijd van een ‘revolutionaire’ vrouwvriendelijkheid, en in de laatste toespraak die hij, kort voor zijn overlijden hield, drukte hij de mannen op het hart om aardig te zijn voor hun vrouwen. En “Het paradijs ligt onder de voeten van uw moeder.”
[110] vert. Onze Soort. De Kern, Baarn 1990
[111] vandaar dat ik in mijn schets Een nieuw Groot Verhaal (70 pag.) er voor pleit om aan dit IDEE een serieuze discussie te wijden