Welkom, bezoek(st)er van mijn
pagina!
Je hebt hier blijkbaar te
maken met een dubbeltalent. Ik wil graag vertellen hoe dat gekomen is. Maar als
je geen zin hebt in een heel verháál, klik dan meteen door óf naar www.mens2000.nl/art óf naar
www.mens2000.nl/idee
Na de oorlog gaf ik te
kennen dat ik missionaris wilde worden. De paters van een naburig internaat ronselden
jonge knaapjes en ik was een van hun vangsten. Mijn vader stribbelde tegen: hij
was een stamboomfanaat en zag mij hiermee aan zijn tak zagen. Maar mijn moeder
vond het wel wat hebben: een priesterzoon en dus zat ik weldra bij de paters in
het internaat.
Toen kwam de puberteit.
Heftig. Dan ga je zelf nadenken en van alles doen met je heftige gevoelens. Ik
ging dichten, het schoolblaadje redigeren, portretten tekenen en … ik viel van
mijn geloof af. Ik raakte er ten diepste van overtuigd dat God de Sinterklaas
was voor de volwassenen. En dat de meeste paters dat ook heus wel wisten maar
dat die de vertoning volhielden omdat het hun broodwinning was. En trouwens, de
hele samenleving hing toch aan elkaar van die vertoning? Ik vond het heel
zinnig allemaal en ik hield mijn mond. Maar vanaf toen wilde ik heel graag
weten hoe de mensen er dan wél gekomen waren, nu ze blijkbaar niet geschapen
waren.
Ik voltooide mijn opleiding
op een normaal gymnasium, maakte de universiteit af (Nederlandse Taal- en
Letterkunde) en was 15 jaar leraar Nederlands. Al die jaren was ik ook bezig
met portretten tekenen, had op de universiteit een schilderclub opgericht, had
bij mijn afstuderen al een leuk portretatelier dat ik helaas moest opdoeken
voor leraarschap en ouderschap. Als leraar had ik voor mijn klassen al een
consistent verhaal over hoe wij mensen, immers als apen begonnen, dan aan taal
en letterkunde gekomen waren. Op een katholieke school is dat natuurlijk vragen
om moeilijkheden. Temeer omdat ik ook hyperactief was als ‘Kritiese Leraar’.
Kon ik niet mee zitten. Ze
konden me hooguit ontslaan. Nou, dan ging ik toch gewoon full time
portrettekenaar worden? En zo geschiedde.
Het was echter pas begin
jaren ’90 - ik was al lang een gesettelde portrettekenaar - dat het tot
mij doordrong dat er iets ontbrak in onze samenleving. Iets wat ons bond. Iets
waarvoor we het allemaal deden, dat samenleven, en dat ten grondslag lag aan
ons geweten. De kerken waren leeggelopen maar de mensen willen toch Iets. Wat
dan?
We moeten gewoon een nieuw Iets,
wil de samenleving weer echt als zodanig gaan functioneren, daar was ik
van overtuigd. Wat moet dat Iets dan zijn?
In elk geval geen God meer.
Een God is altijd van een bepaalde denominatie gelovigen en die beschouwen de
niet-gelovigen of anders-gelovigen als heidenen die je of moet bekeren of
doodslaan. Dat dat sindsdien steeds heftiger vormen ging aannemen, versterkte
deze gedachte niet weinig.
Het Iets moet
universeel zijn, moet onverkort opgaan voor alle mensen op de wereld. Zoiets
als de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Die Verklaring is toch
ook op iets universeels gebaseerd? Ik sloeg het boekje er op na en jawel, in de
Preambule staat Iets. Wel heel vaag en summier. “De waardigheid van
iedere mens is inherent”. De filosoof Bernard Delfgaauw had er vlak voor zijn
overlijden nog een boekje over geschreven, De mens en zijn rechten (1993)
en daarin zegt hij dat het geïnterpreteerd moet worden als: de waardigheid van
iedere mens is gelegen in zijn menszijn. Het was mij duidelijk: dat
nieuwe Iets moest zijn: het geloof in de mensheid.
Hoe zijn wij? Hoe zijn wij
er gekomen, hoe zitten we qua geaardheid in elkaar, hoe voelen we ons op z’n
gelukkigst? Allemaal vragen die hun antwoord vinden in ons Verhaal. het
Verhaal van hoe mensen van apen mensen geworden zijn. Nou, van dat Verhaal had
ik intussen al een aardig verhaaltje bijeengesprokkeld.
Dat ik het ben die met dat
Verhaal op de proppen kan komen, heeft met mijn curriculum te maken. Het heeft
met mijn jeugd op die patersschool te maken. Immers, daar leerde ik heftig over
het geloof na te denken. Ik zag in een missiefilm een moslim er heilig van
overtuigd zijn dat er maar één God was en dat was de zijne, Allah dus. Hij had
dan misschien wel vodden van kleren aan maar zijn geloof was heel wat
fanatieker dan dat van onze paters. Moest je dan zeggen dat die man ongelijk
had en dat er maar één ware God is: die van ons?
Het heeft met mijn
universitaire opleiding te maken. Immers, daar leer je met moeilijke teksten
omgaan en hoe je verifieerbaar kunt opstellen.Het heeft met mijn
maatschappijbetrokkenheid als leraar te maken. Maar het heeft ook met mijn
huidige beroepssituatie te maken. Om je met ons Verhaal bezig te kunnen houden
moet je heel veel boeken grondig bestuderen. Om je met het nieuwe universele
‘geloof’ bezig te houden moet je onze maatschappelijke situatie en de discussie
bij houden. Met een normaal beroep, ook al is dat een wetenschappelijk beroep,
heb je daar allemaal geen tijd voor. Een wetenschapper moet colleges geven, de literatuur
van zijn vakgebiedje bijbenen, zo’n drie publicaties per jaar afscheiden,
vergaderen. Daarnaast heeft hij zijn relatie en wellicht ook nog kinderen. Voor
het werken aan ons Verhaal moet je grasduinen in een véélheid van vakgebieden.
Wetenschappers wagen zich niet graag in een andervrouws/mans vakgebied. Nou, wie kan zich dan wél wagen aan een op
de wetenschappen gebaseerd Verhaal?
Een oude portrettekenaar!
Die heeft zijn schaapjes (kinderen) al op het droge, is zelfs al dubbelop opa.
Verdient zijn inkomen op de plezierigst denkbare manier. En … kan er nog bij
studeren ook. Ben je wel eens in een Centerparc geweest? In twee ervan mag ik,
als een soort publieksentertainment, mijn portretjes tekenen. Vooral buiten de
vakantiemaanden heb je soms urenlang geen klanten. Dat zijn voor mij
studietijden! Dacht je dat ik die boeken thuis bestudeerde? Thuis moet ik vier
kranten bijhouden plus de nodige week- en maandbladen; en aan mijn vele teksten
werken. Nee, de boeken doe ik op mijn werkplekken. Aangenaam temperatuurtje,
geen zon, wind of regen. Muziekje erbij, supermarkt en snackbar in de buurt …
zo neem ik tot me wat al die veldonderzoekers in de akelige oerwouden, snikhete
woestijnen of primitieve dorpshutjes moeizaam bijeengezameld hebben aan kennis over
hoe wij van apen mensen geworden zijn. Ach, het leven kan zo mooi zijn, voor
een oude portrettekenaar met een Verhaalproject …